rkg 5

werkopdrachten en nieuws bij de cursus r.-k. godsdienst (Respons 5) [Kurt Hansen] hansen@pobox.com ICQ# 155636180

This page is powered by Blogger. Isn't yours?
6.6.04
 
Download pagine online
Op verzoek van Christophe Jodogne heb ik een paar handouts alsnog op internet gezet, en meer bepaald op de RKG5 Download Pagina, waar je ze kan afhalen als PDF bestanden. Natuurlijk gaat het hier om mijn blanco documenten, die dus nog niet ingevuld zijn. Daar waren de lessen dus voor, beste leerlingen. De informatie die je niet hebt verzameld in de les, kan ik jullie nu niet meer leveren. Dat was jullie verantwoordelijjkheid. Christophe zegt dat 'de meeste' deze blaadjes niet meer hebben... wel dat is dan hun probleem. Ik van mijn kant heb wat dat betreft mijn best gedaan. Ik zie dus wel op jullie examen-kopij wie er dit jaar voldoende / onvoldoende / goed / zeer goed of zelfs uitmuntend gewerkt heeft. /( /-/

4.6.04
 
Info over het examen
Het examen gaat over de twee terreinen die we in het tweede semester bestreken hebben:
Het eerste deel gaat over 'Afscheid Nemen' of ook wel 'Grenzen' genoemd. Daarin komt het volgdende voor:
• Lijden en troost. Het lijkt vanzelfsprekend, maar hoe troost je iemand? Over je eigen ervaringen vertellen, of een omstandige uitleg geven over de onvermijdelijkheid van het lijden, of misschien niets zeggen, of alleen maar te kennen geven dat je bereid bent te luisteren... Of zeg je misschien: 'kop op! Er zijn wel ergere dingen in het leven....'. Denk daar over na - dan ben je gewapend voor de uitdaging van vraag 1.
• Is lijden alleen maar negatief? We bekijken het verhaal van een zwaar zieke jongeman in een interview. Dat gesprek is de aanleiding om te checken hoe je een verlies-situatie kan inschatten. Het is daarvoor ndig dat je de verschillende fasen in het rouwproces E. Kübler-Ross) kent en begrijpt.
Vervolgens is het interessant om je '7x4' ervaring nog eens in herinnering te brengen. Hoe ging dat ook weer? Sla er je logboek op na.
En over de dood hebben we het ook gehad. Herbekijk je informatie, met in het bijzonder de typische elementen in een BDE. Memoriseer die even.
We hebben ook onderzocht wat er gebeurt als je eenmaal dood bent. Er waren verschillende mogelijkheden. Bekijk die nog eens in je info over 'De aangeklede dood'.

In het tweede deel gaat het over relaties.
Daarvoor leer je best het onderscheid tussen 'goede' en 'slechte' aandacht.
Ook de verschillen tussen mannen en vrouwen, zoals we die beter hebben leren waarderen in het programma van Morris ('Verschillend, maar gelijk') kan je best doornemen.
De documentaire over de geschiedenis van het huwelijk neem je ook grondig door. Je bekijkt daarin de veranderende positie van de vrouw doorheen de geschiedenis en het ontstaan van het burgerlijk huwelijk.
Dat huwelijk wordt ook op het scherm gebracht door Moodysson, zodat er mogelijkheden zijn om de theorie ook met het filmverhaal te vergelijken.
En in de meeste klassen hebben we ook een Avondje Uit gesimuleerd. Misschien kirijgt dat nog wel een vervolg op het examen.
• Als je het in de klas hebt gehad over het huwelijk* - dus met de docu 'Trouwen was houwen' - dan moet je ook weten wat trouwers voor de kerk elkaar precies beloven voor het altaar. En dan bedoel ik dus in het Nederlands (en niet de Engelstalige versie die je misschien uit een Hollywood-film kent...).
Check deze pagina nog even 24 uur voor je naar het examen komt...
Voor vragen kan je me altijd bereiken op
hansenibook@netscape.net /( /-/
_ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _

*) Dus àlle klasgroepen, behalve 5MEWb/MTWE.

19.9.03
 
The Big Myth
Als je als werkgroep voor het eerst kennis maakt met het project 'The Big Myth', dan doe je het volgende:
(1) Je spreekt een rolverdeling af in de werkgroep. Daarvoor krijg je een blad, dat je dient in te vullen.
(2) Je gaat de verschillende mythen op The Big Myth CD rom verkennen. Dus gewoon een beetje rondkijken...
(3) Als je eenmaal vertrouwd bent met het materiaal, doe je een A-opdracht naar keuze.


30.3.03
 
Kunnen we leren uit het verleden?
Op Perron 3 vind je die vraagstelling, die met de oorlog die nu in Irak heerst, wel erg actueel is. Ga dus naar dat perron 3 op deze pagina (klik hier) en los op. /( /-/

 
The Experiment
Als opwarmer voor de film, kan je zelf meedoen aan het experiment op de site van de film. Ga daarvoor naar deze pagina (klik hier) en beantwoord de vragen die je krijgt. Je antwoorden bepalen tot welke groep je behoort, waar je terechtkomt, enz...
Doe het experiment in zo klein mogelijke groepjes. Roep niet te luid de uitkomst van je keuze, zodat anderen daardoor niet beïnvloed worden.
Behalve het experiment zelf, kan je nog heel wat informatie raadplegen over de film.
Veel succes! /( /-/

2.12.02
 
Studiewijzer voor 6e jaar verschenen
De beloofde studiewijzer voor de laatstejaars is intussen verschenen op: hun eigen pagina /( /-/

11.9.02
 
Aparte blog voor het zesde jaar
Voor de laatstejaars is er een aparte pagina op deze plek (klikhier)
Doe 'm bij je favorieten... /( /-/


 
Knooppunten in 'Omgaan met grenzen' - 5WWa
5WWa – WG1
‘We hebben nog niet echt grote verliezen geleden in onze groep. Dus zijn er geen echte knooppunten. We zijn er ons wel van bewust dat rondom ons er wel mensen zijn die dierbaren hebben verloren. Meestal weten we niet goed hoe we daar mee om moeten gaan.
>> EVAL: 4,5/10 – Kort, en erg algemeen. Jammer dat jullie geen knooppunten kunnen halen uit de introspectieronde. Is die dan wel goed verlopen? Ga er nog eens even tegen aan en lever een beter verslag in tegen donderdag, 19-09-2002.
- - -
5Wwa – WG2
[DEZE WG HEEFT NOG GEEN VERSLAG INGELEVERD]
>> EVAL: ( - )
- - -
5Wwa – WG3
We vragen ons af hoe wel mensen die stil rouwen kunnen troosten.
Hoe moet je omgaan met familieleden van een overledene om ze te troosten?
Hoe kun je de boodschap overbrengen dat iemand gaat sterven?
Hoe helpt het geloof het verwerken?
Wat is de beste manier om een verlies te verwerken?
Wat is het moeilijkste om te verwerken? Een plotse of een aanslepende dood?
Als je weet dat mensen lang gaan lijden voor hun dood, mag je ze dan helpen?


>> EVAL: 7/10 – Een goede vraag, maar het is wel weinig als resultaat. Bekijk opnieuw jullie introspectieronde en distilleer nog een paar knooppunten.
- - -
5Wwa – WG4
[DEZE WG HEEFT NOG GEEN VERSLAG INGELEVERD]
>> EVAL: ( - )



 
Knooppunten in 'Omgaan met grenzen'
•5WW8 – WG1
‘In onze groep heeft iedereen andere ervaringen. Iemand heeft nog geen enkele dierbare verloren, anderen wel: opa’s en een oom.
Waarom maakt God een verschil tussen mensen?
We hebben ook enige ervaring met scheiding.
Wat is de beste manier om een scheiding te verwerken?
Waarom vinden niet alle mensen een geschikte partner voor het leven?
Een van de grootvaders is overleden aan kanker; een andere heeft het overleefd.
Is het lot vooraf bepaald?
Alle kleine bezittingen kunnen een emotionele waarde hebben, dus het verlies ervan is wel pijnlijk.
Dromen en idealen hebben we nog niet moeten opgeven. Zijn we daar nog te jong voor? (...)
Het verwerken van verliezen kan je het beste doen door er over te praten en door samen te zijn met andere mensen.
Hoe verwerkt men het best een bepaald verlies?’
>> EVAL: 10/10 – Een goede verwerking!
- - -
•5WW8 – WG2
Deze wg heeft een introspectie ingediend, maar geen knooppunten.
>> EVAL: 1,5/10 – Zorg voor een goed verslag, om jullie cijfer op te krikken tot een voldoende.
- - -
•5WW8 – WG3
Wat in deze groep opviel, is dat de mensen erg in zichzelf gekeerd zijn, en dat we allemaal te maken hebben gehad met het verlies van een dierbaar persoon.
Waarom houden wij onze problemen voor onszelf en waarom gaan we niet naar een vertrouwenspersoon? Vertrouwen wij dan niemand? We denken allemaal dat we een verlies wel zelf zullen kunnen verwerken, dat we daar geestelijk sterk genoeg voor zijn. Dat wil niet zeggen dat wij emotie-loos zijn! We uiten die emoties moeilijker naar de buitenwereld toe.
We kunnen concluderen dat we het (ook) moeilijk hebben om andere mensen te troosten.
Geestelijk is er leven na de dood volgens ons, maar wij kunnen ons van dat leven geen voorstelling maken. Het komt allemaal neer op geloven.
>> EVAL: 10/10 – Een eerlijke verwerking! De observatie dat je moeilijk anderen kan troosten, als je zelf moeilijk met gevoelens naar buiten kan komen, zou kunnen kloppen.
- - -
•5WW8 – WG4
‘Als je iets ergs aan de hand hebt, dan denk je: “waarom ik altijd?” Maar iedereen heeft toch zijn problemen, misschien niet zo grote, maar we vinden het allemaal erg.
Waarom is het goede en het slechte over de mensen verdeeld? Waarom zijn er zwakke en
>> EVAL: 5/10 – Weinig, en vrij oppervlakkig verslag. Deze wg moet harder zijn best doen.



12.6.02
 
Opgelet 5ASO! Behalve 5B2b hebben alle klassen kunnen kijken naar deel 1 van de reeks 'De andere sekse' van en met Desmond Morris. Om dat programma beter te kunnen herhalen, geef ik hieronder de tekst uit het boek weer. De leerlingen van 5B2b zullen het zelfs helemaal met de tekst alleen moeten doen. /( /-/

Anders, maar gelijk (deel1/2) We zijn zo vertrouwd met het idee van de tegenstelling man-vrouw dat we de neiging hebben die vanzelfsprekend te vinden, maar bij enkele lagere levensvormen is het individu zowel mannelijk als vrouwelijk. Als ze paren, bevruchten ze elkaar, en worden ze allebei zwanger. Bij hogere levensvormen is het onderscheid tussen het mannetje en het vrouwtje meestal duidelijk. Niet alleen hebben ze verschillende voortplantingssystemen, ze verschillen ook in veel andere opzichten. De taken zijn tussen de seksen verdeeld, waarbij elke sekse zich in een bepaalde richting heeft gespecialiseerd. Dit geldt zowel voor de mens als voor alle andere soorten.

Om te begrijpen hoe de menselijke mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn geëvolueerd, zou het helpen als we onze voorouders uit de oertijd konden observeren. Helaas is dat onmogelijk.Wel kunnen we groepen mensen bestuderen die ook nu nog in stamverband leven. Dat is niet gemakkelijk, want de meeste van zulke samenlevingen zijn intussen vervuild door moderne culturen. Hoofdtooien van veren worden gecombineerd met stadse T-shirts; het bot door de neus is vol trots vervangen door een ballpoint. Maar er zijn nog steeds een paar staininen waar de buitenwereld de oorspronkelijke leefwijze niet wezenlijk heeft aangetast en die ons enkele waardevofle aanwijzingen kunnen geven over de relatie tussen de seksen zoals die waarschijnlijk in de Oudheid heeft bestaan.

In sommige streken van West-Afrika leven de pygmeeën nog steeds als jager/verzamelaars. Ze leven en overleven op dezelfde manier als hun voorouders honderdduizenden jaren geleden, toen onze soort nog jong was. De rol van de mannen bestaat uit jagen, de karkassen van de gedode dieren in stukken snijden en wapens voor de jacht ontwerpen en maken. De rol van de vrouwen bestaat uit het verzamelen van vruchten, noten, bessen en paddestoelen, en het bouwen van de eenvoudige, ronde hutten als ze op een nieuwe plek zijn aangekomen. Al is het grootste deel van het voedsel afkomstig van het verzamelen, het vlees waar de mannen voor zorgen heeft een veel grotere voedingswaarde. Als je dat verschil in aanmerking neemt, is de bijdrage van man en vrouw aan de voeding van de stam rmin of meer gelijk. Deze gelijkheid op het gebied van voedselverschaffing zie je terug in de gelijkheid in stammenzaken in het algemeen. Beslissingen over mannelijke aangelegenheden worden genomen door de mannen, beslissingen over vrouwelijke aangelegenheden door de vrouwen.

Het staat vrijwel vast dat in de loop van ons lange evolutionaire verleden het menselijke dierjuist goed heeft gedijd op dit machtsevenwicht tussen de seksen, en niet op het overwicht van de ene sekse over de andere.'Gelijk maar verschillend', dat zou de slogan van de mens kunnen zijn. De vraag is: hóé verschillend en in hoeverre vinden we dit oorspronkelijke patroon terug in de verschillende moderne samenlevingen?

De spieren van de man

Naarmate mannen en vrouwen zich meer specialiseerden, respectievelijk als jager en als verzamelaar, gingen ze vooral verschillen in spierkracht. Om succes te hebben bij de jacht moest de man groter, sterker en atletischer worden. Dit geslachtsverschil uit de oertijd kan op verschillende manieren worden gemeten.

Het begint bij de geboorte. De mannelijke baby is gemiddeld zwaarder en langer dan de vrouwelijke baby en hij heeft ook een snellere stofwisseling, wat tijdens de rest van zijn leven zo blijft. Dit kenmerk maakt hem geschikt voor een inspannende, actieve leefwijze. Pasgeboren Jongetjes zijn beweeglijker, alsof ze liggen te trappelen om te beginnen met hun zware lichamelijke arbeid. Ook zien ze scherper, een herinnering aan de tijd dat ze, als volwassen jagers, de omgeving moesten inspecteren op sporen van prooidieren.

Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in het hanteren van gebruiksvoorwerpen en hebben eerder de neiging om op hun speelgoed te slaan, terwijl vrouwelijke peuters wat minder uitbundig zijn in hun spel. Mannelijke peuters zijn ook meer geïnteresseerd in rennen, springen, duwen en trekken; vrouwelijke peuters zitten meestal op de grond en spelen met de voorwerpen die voor hen liggen. Jongetjes zijn nieuwsgieriger naar nieuw speelgoed dat hun wordt aangeboden.

Deze verschillen doen zich voor, lang voordat er sprake kan zijn van invloed van de ouders op het'rolpatroon'van de seksen. Ze zijn duidelijk aangeboren en sturen de jongetjes en meisjes leder een iets andere richting op. Die richting zullen ze de rest van hun leven blijven volgen. De machtsspelletjes van mannelijke peuters zijn een duidelijke voorbode van hun latere fysieke machtsvertoon. En hun grotere belangstelling voor nieuwe voorwerpen - een belangstelling die gevaarlijk kan zijn - is een voorbode van de grotere risico's die ze nemen als volwassen man. Al deze kenmerken ondersteunen het idee dat er bij onze soort een sterke verdeling van taken bestaat tussen de seksen.

Het volwassen lichaam van de man is hij germiddeld zo'n 30 procent sterker dan dat van de vrouw, met spierweefsel dat bijna twee keer zo zwaar is. (De germiddelde man heeft 26 kg spieren, de vrouw 15 kg.) Een doorsneevrouw kan maar de helft van haar gewicht dragen, terwijl een doorsneeman twee keer zijn gewicht aankan. Ter ondersteuning van deze spierkracht heeft de man ook grotere botten, een groter hart en grotere longen, en heeft hij meer hemoglobine in het bloed. De hand van de vrouw heeft maar tweederde van de kracht van de mannelijke hand. @Het volwassen mannelijke lichaam is ook iets langer dan dat van de vrouw. Het grotere skelet geeft de versterkte spierkracht een krachtiger basis. Germiddeld is de man 10 procent zwaarder en 7 procent langer dan de vrouw. Dat betekent dat de vrouw altijd opziet naar de man, zelfs als hij dat niet verdient.Voor moderne vrouwen die streven naar sociale gelijkheid is dat een vervelend restant uit ons oorspronkelijke jagersverleden, vooral omdat we nu in een wereld leven waar, dankzij de moderne technologie, brute kracht voor de meeste mensen weinig betekenis meer heeft.

Alleen in de sport komt de superieure mannelijke kracht nog op een wezenlijke manier tot gelding. Over de hele wereld zijn er manifestaties van mannelijke lichaamskracht die laten zien hoezeer de man op dit terrein van de menselijke biologie bevoorrecht is. Een spectaculair voorbeeld daarvan is elk jaar te zien bij de traditionele HighIand Games in Schotland, waar enorme mannen het tegen elkaar opnemen bij zulke bizarre sporten als paalwerpen. Daarbij wordt een 5 meter lange stam van een spar of een den de lucht in geworpen. De deelnemers houden de stam verticaal met het smalle eind tegen de borst gedrukt, en stoten @ hem dan op zo'n manier de lucht in dat hij één keer in het rond gaat en op de grond valt met het dikke eind aan de kant van de werper. Alleen de allersterkste mannen zijn hiertoe in staat.Voor vrouwen is het niet weggelegd.

Veel landen kennen dergelijke demonstraties van mannelijke lichaamskracht. Zelfs op de vredige eilanden in de Stille Oceaan is er een jaarlijkse wedstrijd 'vruchten dragen'die de kracht van de plaatsellike mannelijke bevolking op soortgelijke wijze op de proef stelt. Bij dit evenement wordt een zware paal beladen met trossen fruit van in totaal 45 kg. Hij moet op één schouder worden gedragen tijdens een afmattende wedloop van 1,5 kilometer. Nadat de deelnemers de finish zijn gepasseerd, storten ze in. Dergelijke wedstrijden hebben tot doel de betrokken mannen tot de uiterste grenzen van hun mannelijke kracht te doen gaan, niet alleen om te zien welke man het sterkst is, maar ook om de superioriteit van de mannelijke spierkracht boven die van de vrouwen nog eens te bevestigen.

Een ander fysiek verschil tussen mannen en vrouwen, dat ook verband houdt met de jachtspecialisatie van de man, is de vorm van het gelaat. De vrouw heeft een kleinere neus, kin en kaak, en dunnere wenkbrauwen. Mannen hebben forsere kaken, grotere neuzen en zwaardere wenkbrauwen omdat ze groot gevaar liepen als ze op jacht gingen. De forse kaak en zware wenkbrauwen dienden als beschernuing als ze met hun prooi worstelden. En de grote neus verbeterde de ademhaling door de longen. Die longen moesten hem steunen als hij prooidieren achtervolgde.

Het bewijs van deze verschillen tussen het gelaat van de man en de vrouw wordt geleverd door het identificatiesysteem dat wordt gebruikt door moderne politiekorpsen, waarbij er twee sets met gelaatstrekken in de computer zitten, één voor elke sekse. @leen om te zien welke man het sterkst is, maar ook om de superioriteit van de mannelijke spierkracht boven die van de vrouwen nog eens te bevestigen.

Een ander fysiek verschil tussen mannen en vrouwen, dat ook verband houdt met de jachtspecialisatie van de man, is de vorm van het gelaat. De vrouw heeft een kleinere neus, kin en kaak, en dunnere wenkbrauwen. Mannen hebben forsere kaken, grotere neuzen en zwaardere wenkbrauwen omdat ze groot gevaar liepen als ze op jacht gingen. De forse kaak en zware wenkbrauwen dienden als beschernuing als ze met hun prooi worstelden. En de grote neus verbeterde de ademhaling door de longen. Die longen moesten hem steunen als hij prooidieren achtervolgde.

Het bewijs van deze verschillen tussen het gelaat van de man en de vrouw wordt geleverd door het identificatiesysteem dat wordt gebruikt door moderne politiekorpsen, waarbij er twee sets met gelaatstrekken in de computer zitten, één voor elke sekse.

De vrouw als voortbrengster van nakomelingen

Zoals het mannelijke lichaam zich heeft aangepast aan de jacht, zo heeft het lichaam van de vrouw zich aangepast aan haar functie van draagster van kinderen, voedselverzamelaarster en organisatrice van het sociale leven. Ook dit is al direct na de geboorte zichtbaar. Meisjes zijn minder kwetsbaar voor ziekte dan jongetjes. Dit voordeel blijven ze de rest van hun leven houden. Als draagster van kinderen is ze op het gebied van de voortplanting niet zo vervangbaar als de man, en behoeft dus extra bescherming.

Al zijn vrouwen dus niet zo sterk als mannen in spierkracht, ze zijn sterker in medische zin. Niet alleen hebben ze minder kwalen en overkomen hun minder ongelukken, er is ook minder kans dat ze bij de geboorte dood of rm*svormd zijn. Ze hebben rulinder kans op kleurenblindheid het verschil is enorm groot: mannen hebben 75 keer meer kans dat ze kleurenblind zijn.Vrouwen hebben ook rminder kans op zware depressies, en plegen daardoor rm'nder vaak zelfmoord.

Een andere vorm van 'extra bescherming' is de grotere hoeveelheid lichaamsvet. Een vrouw heeft twee keer zoveel vet als een man - bij haar maakt het 25 procent uit van het lichaamsgewicht, bij een man 12'/2 procent. Daardoor heeft ze een grotere weerstand bij voedseltekorten, en dus een grotere kans dat ze haar kleine kinderen door een periode van schaarste weet te loodsen. Dat was vooral belangrijk in de tijd dat periodes van schaarste
en periodes van overvloed elkaar afwisselden, toen onze voorouders ook de minder gastvrije streken van de aarde gingen bevolken.

Niet alleen kreeg de vrouwelijke mens een eigen noodvoorraad voedsel mee, te vergelijken met de bult van de kameel, de dikkere vetlaag zorgde ook voor extra bescherliiiing tegen de kou. Want, anders dan bij de kameel, is bij de vrouw het vet verdeeld over haar hele lichaam. Dat leverde haar overigens een van de meest karakteristieke vrouwelijke geslachtssignalen op: haar zachte, ronde vormen. Die werden het symbool van vrouwelijk welzijn, en daardoor van de vrouwelijke seksualiteit.

(In de oertijd had het hoge vetgehalte van het lichaam van de vrouwelijke mens nog een ander, tamelijk gruwelijk gevolg. De Griekse geschiedkundige Plutarchus schreef:'Degenen die lijken verbranden voor hun beroep, voegen aan elke tien mannen altijd een vrouw toe, omdat het vrouwenvlees zo vet is dat het brandt als een fakkel.')
Wat de zintuigen betreft: vrouwelijke peuters hebben een beter gehoor, een beter tastvermogen en een betere reuk. Ook dat voordeel blijven ze in de loop van hun leven houden. Het zijn kwaliteiten die, zoals we later zullen zien, de volwassen vrouw bijzonder van pas komen als ze moeder wordt. Als kind is ze voorzichtiger en meer gericht op fijne handvaardigheld. Meisjes zijn vloeiender in hun taalgebruik, terwijl jongens origineler zijn. Al deze onderzoeksresultaten wijzen op een diepgeworteld verschil in persoonlijkheid bij onze soort, wat weer wijst op een diepgewortelde taakverdeling in ons evolutionaire verleden. De kindbarende specialisatie van de vrouw heeft de vorm van haar volwassen lichaam béinvloed. Omdat vrouwen het kind tussen hun benen baren, is het bekken van de vrouw ~-eel breder dan dat van de man. Dit bèinvloedt het gedrag van de vrouw op verschillende manieren. Ze heeft een andere manier van lopen: ze neemt uiterst kleine stappen, vergeleken met de enorme stappen van de doorsneeman. In veel culturen wordt deze eigenschap overdreven door vrouwen die hun vrouwelijkheid willen benadrukken. Ze dragen vaak strakke rokken of gevaarlijk hoge hakken. De verkorte pasjes die ze daardoor genoodzaakt zijn te maken, geven de indruk van supervrouwelijkheid. De geisha's van Kyoto hebben dat tot in het extreme doorgevoérd. Ze huppelen met uftrakorte vogelpasjes door de straten.

De evolutie heeft de jager uit de oertijd een tred met lange passen meegegeven, waarmee hij de prooidieren over grotere afstand kon volgen. De vrouw heeft de manier van lopen meeorekregen die haar vermogen om te baren het minst in gevaar brengt. Het vrouwelijke bekken @ De vorm van het menselijke bekken heeft ook invloed op de manier waarop we zitten. Mensen hebben vier verschillende manieren om de benen over elkaar te slaan.Twee daarvan zijn gewoon bij belde seksen, een is typisch mannelijk, en een is in wezen vrouwelijk. Het meest wijdverbreid is de knie-op-knie kruising. Die wordt door belde seksen gebruikt, net als de formelere enkel-op-enkel. Maar de enkel-op-knie is overwegend mannelijk, ook als vrouwen een broek dragen. De vierde manier is de benen-ineenstrengeling, die vrijwel uitsluitend bij vrouwen voorkomt. Hierbij wordt de gekruiste voet om het andere been geklemd. Als aan mannen wordt gevraagd om dat doen, blijken ze het bijzonder moeihjk, vaak zelfs onmogelijk te vinden. Somniige mannen weigeren zelfs om op deze manier de benen te kruisen als hun dat gevraagd wordt, misschien omdat ze intuïtief aanvoelen dat dat hen vrouwelijk zal maken. Dit is een van de vele voorbeelden van de manier waarop het wijde bekken van de vrouw andere bewegingspatronen beïnvloedt.

De wijdere plaatsing van de benen van de vrouw heeft hun niet alleen een extra manier om de benen te kruisen opgeleverd, maar ook de mogelijkheid om uit te blinken in de ruitersport. Omdat haar benen wijder uiteen staan op het punt waar ze aan de romp vastzitten, heeft de vrouwelijke ruiter altijd een voordeel boven haar mannelijke evenknie. Met haar dijen heeft ze meer greep op het paard. Dit voordeel werd in vroegere eeuwen tenietgedaan omdat het onbeleefd werd gevonden als een vrouw publiekelijk haar benen spreidde, een houding die werd geassocieerd met de vrouwelijke houding tijdens de copulatie. Het werd onfatsoenlijk gevonden om deze houding aan te nemen, zelfs als het een duidelijk niet-seksuele bedoeling had. Een Byzantijnse historicus merkte op dat vrouwen die paardrijden als een man'niet veel beter zijn dan hoeren'.

De oplossing voor vrouwen die per se wilden paardrijden, was een vreemde uitvinding die voor het eerst werd geïntroduceerd in de 15de eeuw: een zadel met twee leren randen, de zogenaamde zadelbogen. De vrouwelijke ruiter zadelde haar paard zo dat ze met twee benen aan één zijde zat, terwijl haar dijen op hun plek werden gehouden door de twee zadelbogen. Als je haar van een afstand zag, met haar uitgespreide rijrok, leek ze elk moment van het paard te kunnen glijden als het paard zou beginnen te galopperen. In werkelijkheid werd ze stevig op haar plaats gehouden door de twee verborgen zadelbogen tussen haar samengeperste dij'en.

Het dameszadel raakte in de jaren dertig van deze eeuw uit de mode onder invloed van de rage om 'mee te doen met de jongens'. De geëmancipeerde vrouw zag het paardrijden als een man als een politiek manifest. Deze situatie bleef onveranderd tot kortgeleden enkele jonge vrouwen die hun onafhankelijkheid niet meer hoefden te bewijzen besloten om weer paard te rijden met de benen opzij. In Groot-Brittannië heeft de'Side-Saddle Association'inmiddels 1200 leden, en elk jaar komen er nieuwe bij.

Geslachtssignalen

Het voortplantingsapparaat van de mens - het complexe systeem om eitjes en sperma te produceren en die samen te brengen - zou een belangrijke bron kunnen zijn van geslachtssignalen, maar die invloed is beperkt. Het vrouwelijke geslachtsorgaan is voor het grootste deel inwendig en dus niet geschikt voor signalen. Dat gaat zelfs op voor het kleine deel dat uitwendig is. Als ze naakt is en rechtop staat, is er weinig zichtbaar van haar geslachtsopening. Die blijft zorgvuldig verborgen dankzij het schaamhaar en de verborgen positie tussen de benen. In genitale zin zijn de signalen negatief, gezien de afwezigheid van uitwendige uitsteeksels.

Voor de volwassen man liggen de zaken anders. Al beschikt hij niet over het opvallende, felgekleurde uitwendige orgaan van zijn verwant de aap, zijn grote penis en neerhangende testikels zijn goed zichtbaar in de bos schaamhaar. De vraag is of deze openlijke positie van het mannelijk geslachtsorgaan in dienst staat van de geslachtssignalen, of dat het een technische kwestie is. Met andere woorden, hangt het mannelijke geslachtsorgaan tussen zijn benen om duidelijk te maken dat hij een man is, of omdat dat in anatomische zin het voordeligst is?

Alsje een rennende, springende oerjager zou moeten creëren, dan lijkt het op z'n zachtst gezegd dwaas om de testikels tussen de benen te laten bungelen. Toch heeft de evolutie daarvoor gekozen. De kwetsbaarheid van deze uitwendige genitaliën is zo groot dat er wel een heel groot voordeel tegenover moet staan. Als ze niet alleen maar dienen als zichtbaar vertoon van mannelijkheid, dan moet er een groot fysiologisch voordeel zijn. De meest wijdverbreide verklaring is dat spermaproductie efficiënter plaatsvindt in de lagere temperatuur buiten het lichaam. Dat klopt inderdaad, want bij hogere temperaturen is er minder zuurstof beschikbaar voor het zich ontwikkelende sperma. Koelere testikels hebben een grotere vruchtbaarheid tot gevolg. Er wordt wel beweerd dat strakke broeken een afname van het aantal spermatozoïden kan veroorzaken doordat een warmtezone wordt gecreëerd.

Toch klopt er iets niet aan die redenering. Zoölogen hebben na bestudering van verschillende zoogdieren ontdekt dat het bezit van uitwendige testikels niet altijd leidt tot een lagere temperatuur. Koeling kan dus een bijkomend voordeel opleveren, maar het is niet de hoofdreden. In plaats van de relatie met temperatuur lijkt er een oorzakelijk verband te bestaan met de manier waarop het dier zich verplaatst. Een recent onderzoek onder zoogdieren met en zonder uitwendige testikels heeft uitgewezen dat de soorten die een springende of dravende leefwijze hebben zijn uitgerust met uitwendige testikels. De zoogdieren die zich vloeiender bewegen hebben hun testikels veilig opgeborgen in hun lichaam. Met andere woorden, als je een leven leidt van schokken en stoten, dan kun je je niet veroorloven om je testikels in je lichaam te hebben, want door de druk op de inwendige organen zouden ze tijdens heftige bewegingen dusdanig worden samengeknepen dat de inhoud eruit zou worden geperst. Met inwendige testikels zouden bijvoorbeeld rammen elke keer als ze met de kop tegen elkaar opstoten sperma uitstoten. Hetzelfde zou gebeuren als een menselijke jager van een rots naar beneden springt. Dat komt omdat het voortplantingskanaal geen sluitspier heeft. Door de testikels buiten het lichaam te plaatsen heeft de evolutie de druk weggenomen, en het voordeel is kennelijk zo groot dat het opweegt tegen de kwetsbaarheid van de blootgestelde testikels.
De technische reden voor de vorm van de menselijke genitaliën levert voldoende verklaring op voor de zichtbare positie van de testikels. Dat de zichtbaarheid ook kan dienen als mannelijk geslachtssignaal is een bijkomstigheid.

De signaalfunctie van de penis is ook een bijkomstigheid. Dit mannelijke aanhangsel is gemakkelijk te zien, maar het formaat dient vooral voor de copulatie. Hij is lang zodat hij het sperma zo diep mogelijk in de vagina kan injecteren. En hij is dik zodat het massageeffect op het vrouwelijke weefsel wordt vergroot, wat de seksuele opwinding van de vrouw stimuleert. Deze opwinding leidt tot intensivering van de copulatie-ervaring, en helpt de menselijke paarband te versterken.

Het formaat van de menselijke genitaliën is onderwerp van discussie. Waarom hebben ze speciaal dit formaat, en waarom moet het menselijke mannetje meer dan een nuiljoen spermatozoïden uitstorten bij elk orgasme? Een mogelijke verklaring werd in de jaren tachtig gegeven, toen erop werd gewezen dat de testikels niet bij alle apen even groot zijn. Bij de chimpansee, waarvan het wijfje soms met verschillende mannetjes paart, zijn de testikels uitzonderlijk groot. Bij de gorilla, waar nauwelijks sprake is van competitie tussen de mannetjes, zijn de testikels erg klein. (De machtige gorilla weegt vier keer zoveel als de chimpansee, maar zijn testikels wegen vier keer rminder dan die van de chimpansee.) Daaruit werd geconcludeerd dat bij prorm'scue vrouwtjesapen het mannetje het sperma van zijn rivaal moet verslaan om succes te hebben. Daarom moet zijn ejaculatie groter zijn, en daarvoor zijn grote testikels nodig.

Naar'apenmaatstaven' gemeten, beschikt de mens over tamelijk bescheiden testikels - niet zo klein als die van de gorilla, maar veel kleiner dan die van de chimpansee. Daaruit zou je kunnen opmaken dat er in de loop van de menselijke evolutie geen grote spermacompetitie is geweest. Dat past bij het beeld van een soort waarvan het vrouwtje niet pronuiscue is, maar wel, ondanks ~aar trouw aan één partner, enige extra seksuele activiteit kan ontplooien met een tweede mannetje. En dat is precies wat we aantreffen in de menselijke samenleving. Het formaat van de testikels is dus meer een technische kwestie dan een signalenkwestie.

Samengevat: het is mogelijk om de sekse van een naakte, volwassen mens aan te wijzen door naar de schaamstreek te kijken, maar de uitwendige genitaliën zijn niet speciaal geëvolueerd als een visueel signaal. Ze zijn niet uitbundig versierd of felgekleurd, zoals bij andere soorten het geval is. Watje ziet, is eenvoudig wat nodig is voor het mechanisme van een succesvolle menselijke copulatie.

 
Anders, maar gelijk (deel 2/2)

Zuivere geslachtssignalen

Behalve de verschillen in geslacht die niet meer zijn dan een bijkomstige factor, zijn er ook elementaire geslachtssignalen die alleen voor dat doel zijn geëvolueerd. Brede schouders kunnen bij de man dienen als geslachtssignaal, maar hun primaire taak ligt bij de behoefte aan grotere spierkracht. De bredere heupen van de vrouw mogen een silhouet opleveren dat staat voor vrouwelijkheid, de primaire functie houdt verband met het baren van kinderen. Door de verdeling van taken zijn er verschillen gecreëerd die zichtbare 'geslachtsetiketten' opleveren, maar zo zijn ze niet begonnen. Bij enkele andere kenmerken is dat wel het geval.

De mannelijke baardgroei heeft uitsluitend een signaalftinctie. Daardoor is het mogelijk de sekse van een individu ook van grote afstand te bepalen. Zolang baard en snor niet worden gekortwiekt, kunnen ze enorm lang worden. Het record voor de snor bedraagt 3,39 meter. De bezitter van dit opmerkelijke signaal is een Indiër, Kalyan Ramji Sam, uit Sundargarth, die werd vermeld in het Guinness Book of Records nadat hij zijn harige aanwas
twintigjaar lang zorgvuldig had opgekweekt. De langste baard ter wereld, die nu is ondergebracht in het Srluitlisonian Institute in Washington, hing aan de kin van een Noor, Hans Langseth. Hij was nog langer dan de langste snor: 5,33 meter.

Dat mannelijke kinderen geen baardgroei hebben, is een bevestiging van het idee dat dit aanhangsel vooral dient als seksueel signaal. Na de puberteit groeit een baard die niet wordt geschoren met een snelheid van ongeveer 15 cm per jaar. Dat betekent dat hij na drie, vierjaar tot aan de navel zou reiken. In de oertijd moet dit een indrukwekkend gezicht zijn geweest; de mannelijke mens kon zich wat betreft het dramatische visuele effect meten met de mannetjesleeuw met zijn lange manen. Er is geen enkel ander biologisch kenmerk dat het uiterlijk van de man zoveel anders maakt dan dat van de vrouw.

De borsten van de vrouw vormen ook een belangrijk seksueel signaal.Vroeger werd ten onrechte beweerd dat ze alleen dienen voor de productie van melk, en dat de belangstelling die de man ervoor heeft van infantiele aard is. Dat is niet juist, want niet meer dan eenderde van het borstweefsel heeft iets van doen met de melkproductie. Tweederde bestaat uit vetweefsel, waaraan ze hun vorm danken, maar dat niets van doen heeft met de melkproductie. En het is de ronde vorm die belangrijk is als seksueel signaal. De vrouwelijke chimpansee heeft alleen een ronde borst als ze melk geeft; anders is ze plat. Dat is bij de volwassen vrouw van het menselijke ras niet het geval. Haar borst blijft rond zolang ze in de seksueel actieve periode zit, van de puberteit tot de rmiddelbare leeftijd. De ronde vorm van de vrouwenborst heeft dus niets te maken met moedergedrag, maar alles met seksuele signalen. (In dat verband is het bedekken van de borsten door de vrouw een equivalent van het afscheren van de baard door de man - belden reduceren zo het visuele effect van het geslachtssignaal uit de oertijd.)

De seksuele aard van de naar voren stekende vrouwenborst heeft geleid tot een klein verschil tussen mannen en vrouwen in lichaamstaal, een verschil waarvan de meeste mensen zich niet bewust zijn. De vrouw gebruikt onbewust een andere manier van bewegen als ze zich langs een andere persoon wringt in een smalle ruimte. Mannen keren hun borst naar de ander, terwijl vrouwen zich bijna altijd afwenden om hun kwetsbare borsten te beschermen tegen contact. De mannelijke houding stelt hem in staat om de persoon die hij passeert in de gaten te houden, zodat hij zichzelf beschermt tegen een onverwachte aanval. De vrouw zou dat voordeel ook kunnen hebben, maar kiest in plaats daarvan voor het riskantere alternatief door de ander haar rug toe te keren. Dat doet ze om niet de indruk te wekken dat ze haar borsten aanbiedt aan degene die zich langs haar wringt.

Vocale tegenstellingen

Er is een biologisch verschil tussen mannen en vrouwen dat zo voor de hand ligt dat we het als vanzelfsprekend ondergaan: de diepte van de volwassen stem.Tijdens de puberteit breekt de j ongensstem, waarna hij snel dieper wordt.Vrouwen houden de hoge toonhoogte van hun meisjesstem.

Dat zit als volgt in elkaar: het mannelijke strottenhoofd is ongeveer 30 procent groter dan het vrouwelijke. De mannelijke stembanden zijn 18 mm lang, die van de vrouw niet meer dan 13. De volwassen mannenstem heeft gemiddeld 130 tot 145 cycli per seconde, de volwassen vrouwenstem 230 tot 255 cycli, oftewel één octaaf hoger. Het verschil in toonhoogte tussen de mannenlach en de vrouwenlach is nog groter.

Bij de mens is het stemverschil tussen volwassen mannen en vrouwen groter dan bij onze naaste verwanten, de mensapen.Waarom is dat verschil groter geworden? Er moeten hier twee verschillende vragen worden beantwoord: waarom krijgen mannen een diepere stem, en waarom krijgen vrouwen die niet?

Door de diepere mannenstem kan de volwassen man angstaanjagender brullen, grommen en schreeuwen. Dat kan worden gebruikt om menselijke rivalen te intirrn*deren, om prooi bijeen te drijven, of om roofdieren af te schrikken.Voordat hij zich volledig toelegde op dejacht, was de mannelijke mens waarschijnlijk een aaseter. In groepsverband 'oeg hij roofdieren weg van hun net gedode prooi. Daarvoor waren grote moed en actieve samenwerking noodzakelijk. Een diep gebrul moet nuttig zijn geweest bij het wegjagen van machtige rivalen.

De hogere vrouwenstem geeft de volwassen vrouw iets i eugdigs. Samen met enkele andere kenmerken, zoals een haarloze huid, geeft de hoge stem signalen door aan de man. Die signalen moeten er-voor zorgen dat hij bereid is bescherrming te bieden. Doordat ze de stem heeft van een kind, kan de vrouw het koesterende, vaderlijke gevoel in haar partner wakker maken, en zo haar kansen op overleven vergroten.terwijl ze voor de kinderen zorgt.

Onafhankelijke moderne vrouwen vinden deze uitleg van hun hoge stem misschien beledigend, maar het feit blijft dat de vrouw uit de oertijd bij haar zware moedertaak alle hulp nodig had die ze kon krijgen om zichzelf en haar kroost te beschermen. Als ze dat kon bewerkstelligen door met jeugdige kenmerken beschermende, vaderlijke gevoelens op te wekken bij haar partner, dan aarzelde de evolutie niet haar dat voordeel te geven.

In de moderne wereld kan deze strategie uit de oertijd soms zijn uitwerking rmissen.Wat goed werkt binnen een gezinsverband, kan in een kantoor worden geëxploiteerd. De dorrunante man kan het jeugdige en daardoor onderworpen karakter van de hoge vrouwenstem gebruiken om zich superieur te voelen.Volgens een recent rapport wordt bij enkele japanse bedrijven van vrouwelijke werkneenisters verwacht'dat ze preutse, identieke uniformen dragen en met zo'n hoog stemmetje praten dat de ruiten er bijna van breken - een klassieke vorm van vrouwelijke eerbied in Japan'.

Door een dunne piepstem te stimuleren, zorgen de mannelijke bazen ervoor dat opmerkingen of meningen van vrouwen nauwelijks indruk maken. Een omgekeerde trend zou juist in het voordeel van de vrouw werken, als het gaat om macht. Er wordt wel beweerd dat enkele vrouwelijke toppolitici uit het Westen stemtrainers in dienst hebben genomen om hen te helpen een diepere stem te krijgen, zodat hun uitspraken meer gewicht krijgen.


Psychische verschillen

De fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen staan buiten kijf. Iedereen kan ze zien (en horen). Maar hoe zit het met de psychische verschifien? Met deze kwestie begeven we ons meteen op glad ijs. Psychische activiteiten worden zo sterk beïnvloed door leren en oefenen dat elke suggestie over verschillen tussen'mannelijk denken'en'vrouwelijk denken','mannelijke intelligentie' en 'vrouwelijke intelligentie' meteen wordt verketterd als ouderwets, bevooroordeeld en seksistisch. Het is een gevaarlijk discussieterrein geworden, maar als ik me er als wetenschapper door modieuze taboes van laat weerhouden om objectieve vragen te stellen, kan ik net zo goed ophouden. Als er inderdaad verschillen zouden kunnen bestaan tussen de vrouwehjke en de mannelijke psyche, dan is het belangrijk om die onder ogen te zien en er rekening mee te houden, in plaats van ze onder een po htiek correct tapijt te vegen. Als ze bestaan en worden genegeerd, dan zal niemand daar op lange termij n bij gebaat zijn.

Hoe groot is de kans dat mannelijke hersens iets anders werken dan vrouwelijke? We weten dat er in de oertijd sprake was van een verdeling van de taken tussen de seksen, en dat leidde tot een lichte mate van fysieke specialisatie. Het lijkt dus redelijk om te veronderstellen dat er tegelijk sprake was van een zekere psychische specialisatie. Bij hun verschillende hoofdbezigheden zouden prehistorische mannen en vrouwen hebben geprofiteerd van onderling enigszins verschillende psychische processen. Zo moesten mannelijke jagers zich kunnen richten op hardnekkige, langdurige achtervolgingen, en zich kunnen concentreren op langeterrnijndoelen. Ze moesten in staat zijn om zich met één enkel probleem bezig te houden, en bijzaken te negeren. Om goed te zijn in de jacht, moesten ze zich iets meer concentreren op één ding dan de vrouwen.

Bovendien moesten de mannen hun visuele en ruimtelijke vermogens verbeteren om beter te worden in rondtrekken, spoorzoeken, hun doel kunnen raken en oriëntatie. Ook moesten ze zich bekwamen in het maken, onderhouden en repareren van wapens, en het verbeteren van de werktuigen.Ten slotte moesten ze bereid zijn risico's te nemen.Voor de voortplanting waren de mannen beter vervangbaar dan vrouwen, dus als er risico's genomen moesten worden, dan moest dat gebeuren door de man. De primitieve vrouw daarentegen moest vooral goed aan verschillende dingen tegelijk kunnen denken, en alles gelijktijdig kunnen organiseren.Voor het verzamelen van voedsel was geen gerichte concentratie nodig, maar wel sociale organisatie en communicatie. Omdat de prehistorische vrouw zich in het centrum van de gemeenschap bevond, terwijl de man ver weg aan het jagen was, moest ze eoed zijn in het regelen van het sociale leven, in het toezicht uitoefenen op het wel en wee in het kamp, en de details van het gemeenschapsleven bespreken.

Zoals iemand ooit zel:'Vrouwen zijn geinteresseerd in mensen, mannen in dingen.' Al is dat een karikatuur van de werkelijkheid, het is gebaseerd op een reëel en belangrijk verschil, een verschil dat er sinds de oertijd toe heeft geleid dat mannen géinteresseerd zijn geraakt in techniek en vrouwen in sociale vaardigheden. Daarom zul je op beurzen voor verzamelaars en modelbouwers vooral mannen aantreffen, terwijlie op bijeenkomsten voor sociaal werk, liefdadigheidsinstelhngen en andere zorgsectoren vooral vrouwen zult tegenkomen.

Primitieve vrouwen waren niet alleen rappere praters, maar moesten ook voorzichtiger zijn. Ze konden zich niet veroorloven om ernstige risico's te nemen, want ze waren te belangrijk voor een succesvolle voortplanting binnen de stam, en moesten zichzelf zo veel mogelijk vrij kunnen maken om voor hun kinderen te zorgen.
Kortom, de vrouwen moesten worden afgestemd op hun communicatieve en organisatorische taken en ze moesten verschillende dingen tegelijk kunnen doen zonder in de war te raken. Waar mannen hun gerichte concentratie, hun visuele capaciteiten en hun soms onbesuisde moed moesten aanscherpen, moesten vrouwen beter worden in het denken in verschillende richtingen, in hun verbale capaciteiten en hun behoedzaamheid die voortkomt uit hun gezonde verstand.

Wat voor bewijzen zijn er voor het idee dat moderne mannen en vrouwen nog steeds onderworpen zijn aan deze biologische verdeling van'psychische arbeid'? Omdat we in maatschappijen leven waarin vrouwen eeuwenlane zijn onderdrukt door mannen, is het helaas moeilijk om biologie en cultuur te scheiden. Om dat toch te kunnen doen, is het noodzakelijk om op zoek te gaan naar gebieden waar de cultuur geen invloed heeft, en waar belde seksen gelijke kansen krijgen. Alleen dan kunnen we er zeker van zijn dat waargenomen verschillen in succes een onderliggende, biologische betekenis hebben.

Een van de manieren waarop we dit kunnen doen is door pasgeborenen te bestuderen, nog voordat volwassenen de kans hebben gehad om hun gedrag te beïnvloeden. Zoals ik al eerder zei zijn er zelfs op die leeftijd al belangrijke verschillen. In hun spel houden jongetics van timmeren, terwijl meisjes handiger zijn. jongetjes zijn onderzoekender, meisjes voorzichtiger. jongens zijn beter in visuele en ruimtelijke taken, meisjes in verbale en communicatieve taken.

Bij volwassenen is het moeilijker om culturele vertekening te vermijden. Het eenvoudigste studieterrein is misschien wel de mate waarin risico's worden genomen. Hier lijken belde seksen inderdaad wezenlijk in biologische zin van elkaar te verschillen.Vrouwen komen minder vaak om bij een ongeluk. In sominlige landen hebben mannen rond hun dertigste vijftien keer zoveel kans om te sterven aan de gevolgen van een ongeluk als vrouwen. Een onderzoek naar ongelukken op de weg heeft uitgewezen dat vrouwelijke autobestuurders misschien wel meer ongelukken maken dan mannen, maar dat de verzekeringsclaims veel hoger zijn als er mannen bij betrokken zijn. Met andere woorden, mannen hebben im'nder lichte en meer zware ongelukken.

Dat kan worden bewezen niet een eenvoudig experiment. Als mannen en vrouwen wordt gevraagd om voor het eerst te skelteren, zijn de verschillen in benadering meteen merkbaar. De vrouwen zijn onzekerder en al houden ze een matige snelheid aan, ze pro
beren hun skelter binnen de lijnen te houden. De mannen proberen ondanks hun gebrek aan ervaring zo snel mogelijk te rijden en komen regelmatig in de strobalen terecht.

Een onverwachte manier waarop de risico-nemende verschillen tussen man en vrouw tegenwoordig aan het licht treden, betreft de reactie op spinnen. Er is een gemeenschappehjke angst voor spinnen die bij belde seksen kan worden geconstateerd. Recent onderzoek 1)eeft uitgewezen dat alleen de hekel aan slangen groter is dan de hekel aan spinnen.Voor onze voorouders was dat een nuttige reactie omdat er inderdaad gevaarlijke spinnen waren. In Groot-Brittannië, waar de reactie op spinnen is onderzocht, is er op dit moment geen enkele Zevaarlijke spinnensoort meer, zodat de reactie moet stammen uit vroegere tijden. Het intrigerende is dat de reactie van mannen en vrouwen verschillend is. In de puberteit neemt de weerzin bij de vrouw toe tot hij twee keer zo sterk is als die bij mannen. Dat duidt niet op zwakheid van de jonge vrouw, zoals sommigen wellicht denken, maar op een grotere behoefte om zichzelf te beschermen op het moment dat ze, in een primitieve s,anienleving, klaar is om zich voort te planten. Het is een teken van grotere voorzichtigheid bij de vrouw - een voorzichtigheid die terecht was in de oertijd, gezien haar belang ', oor het voortbestaan van de stam.
Wat betreft de liefde voor andere dieren, zoals paarden: die neemt bij meisjes die vlak voor de puberteit zitten enorm toe, maar bij jongens niet. Zorgvuldig onderzoek heeft uitgewezen dat net voor de tienerleeftijd de liefde voor paarden bij meisjes drie keer groter is dan die bij jongens. Dat wijst op een verschil in de psyche vanjonge meisjes, met een grotere nadruk op een band met grotere, sterkere metgezellen. Maar het paard mag dan ,taan voor mannelijke kracht, we moeten niet uit het oog verliezen dat het meisje leiding heeft over het paard.

En hoe zit het met het verschil tussen visuele en verbale capaciteiten? Het is algemeen bekend dat mannen zich voor de oplossing van een lastig probleem terugtrekken om er stilletjes op te broeden, terwijl vrouwen bij elkaar komen en het uitpraten. Mannen zijn nusschien goed in spreken in het openbaar, maar vrouwen zijn veel beter in discussiëren. 1-~ het algemeen lijken vrouwen beter te zijn in taal, terwijl mannen uitblinken in techni'Che onderwerpen.

Dit kan worden aangetoond met een eenvoudige proef. Zowel mannen als vrouwen weten heel goed, hoe een fiets eruitziet, en er wordt door beide seksen op gereden. Maar als hun wordt gevraagd om een fiets te tekenen, doen mannen het veel beter dan vrouwen. De bewijzen voor superieure vrouwelijke verbale capaciteiten zijn overweldigend. Zo zijn er veel verbale problemen waar vooral mannen door getroffen worden. Stotteren,'het onvermogen om vloeiend te spreken', komt vier keer zoveel voor bij mannen als bij' vrouwen. Ook dyslexie, een ernstige leesstoornis, is een overwegend mannelijk fenomeen. Lichte dyslexie komt vijf keer vaker voor bij mannen, zware dyslexie zelfs tien keer vaker. Bij mannen pakt een verslechtering van hun taalvermogen ook ernstiger uit, en ze krijgen na een beroerte of andere vormen van hersenbeschadiging veel iminder snel hun taalvermogen terug dan vrouwen.

De verbale superioriteit van vrouwen begint al op jonge leeftijd. Zelfs in de moederschoot is er een verschil aangetoond in mondbewegingen bij mannelijke en vrouwelijke foetussen. Een medisch onderzoeksteam in Belfast heeft ontdekt dat vrouwelijke foetussen van tussen de acht en twintig weken'vaker en langduriger periodieke mondbewegingen voortbrengen dan mannelijke foetussen'. Interessant genoeg bewogen mannelijke foetussen de ledematen vaker. Met andere woorden, zelfs nog voor de geboorte geven meisjes er blijk van dat ze beter zullen zijn in praten, en jongens dat ze beter zullen zijn in sport.

Na de geboorte zet deze trend zich voort. Kleine meisjes tussen de 1 en 5 jaar lopen voorop in woordgebruik. Meisjes praten eerder dan jongens en maken langere zinnen. Ook hun woordconstructies zijn gevarieerder, ze maken rminder fouten in mondeling taalgebruik en hebben een grotere woordenschat dan jongens van dezelfde leeftijd. Op school geven meisjes blijk van een beter woordgebruik, en zijn superieur in spelng, interpunctie en lezen. Onderzoek onder schoolkinderen heeft uitgewezen dat tweederde van de hoogste cijfers bij taaltesten worden gehaald door meisjes. De betrokken onderzoekers benadrukken dat de meisjes vooral uitblinken in de kwaliteit van het woordgebruik, meer dan in kwantiteit.

Recent onderzoek aan de johns Hopkins University in Baltimore heeft nieuwe aanwij - zingen opgeleverd dat vrouwen superieur zijn in vloeiend taalgebruik. Zo heeft men ontdekt dat in het gebied van het hersenschors waar dit vermogen zetelt, de concentratie van cellen in de vrouwelijke hersens groter is. In het gebied dat verband houdt met verbaal initiatief en kortetermijngeheugen, is er bij vrouwen sprake van 23 procent meer concentratie; in het gebied dat verband houdt met het luistervermogen is de concentratie bijna 13 procent hoger. Dat bewijst dat er een anatomische basis bestaat voor de sekseverschillen bij verbale capaciteiten.

De bewijzen voor de mannelijke superioriteit in visuele vermogens zijn net zo overweldigend. Visueel-ruimtelijke capaciteiten zijn vooral belangrijk op het gebied van de techniek, de architectuur, de bouw en de luchtvaart. Het hoeft geen verbazing te wekken dat deze terreinen worden overheerst door mannen. Bij testen scoren mannen beter in doolhofproblemen, kaardezen, perspectief, meetkunde, bouwkundige plattegronden, ruimtelijk inzicht en rotatie van blokken. Soms is er maar een klein verschil tussen de seksen, maar af en toe zijn er ook spectaculaire verschillen. Bij een eenvoudige wateroppervlaktest, waarbij aan scholieren werd gevraaJom de positie te raden van het wateroppervlak in een schuin neergezet glas, sloegen meisjes twee keer vaker de plank rinis dan 'ongens. De test leek erg gemakkelijk: wist de scholier dat het wateroppervlak horizontaal bleef, ook als het glas schuiner werd neergezet' Desondanks was er een opvallend verschil tussen de seksen.

Als gevolg van deze geslachtsverschillen in verbale en visuele capaciteiten zouden bij sommige beroepen mannen moeten domineren, en bij andere vrouwen. Dat wordt bevestigd door een Zweeds onderzoek. Ruim tien jaar na de introductie van een strenge norm voor gelijkheid tussen de seksen bleef de beroepskeuze onder scholieren opvallend verschillend. De percentages zijn spectaculair: bij vakken als bouwkunde, houtbewerking, niotortechniek en algemene techniek kwam 94 procent tot 98 procent van de aanmeldin,-en van jongens. Bij categorieën als maatschappelijk werk, dienstverlening en verpleging 92 procent tot 97 procent van de aanmeldingen van meisjes.

Zo'n groot verschil kun je niet uitsluitend verklaren met culturele druk, want op dat moment wás er geen culturele druk in Zweden. Integendeel,je zou juist een omgekeerde tendens hebben verwacht. Nu de gelijkheid tussen de seksen van officiële zijde was opgelegd, kon je verwachten dat de schoolkinderen zouden rebelleren en voor hun vrijheid zouden opkomen door niet opzet een andere richting op te gaan. In plaats daarvan bleven ze in het traditionele hokje.

Kort samengevat: er zijn psychische taken waarvoor mannen van nature beter geschikt zijn. en andere die beter passen bij vrouwen. Wie dat negeert omwille van de modieuze dat het seksistisch zou zijn, doet belde seksen groot onrecht.

De psychische verschillen tussen de seksen liggen de laatste jaren zo gevoelig vanwege de angst voor oversimplificatie, waarbij de ene sekse wordt bestempeld als intelligenter dan de andere. Daarvan is duidelijk geen sprake, maar er is één intrigerend verschil naar voren gekomen dat wel van doen heeft met algemene intelligentie en niet met gespecialiseerde intelligentie: de frequentie van genialiteit bij individuen.

Men zegt wel dat in het verleden mensen die werden gezien als genieën bijna altijd mannelijk waren, en dat dit niet alleen is veroorzaakt door de mannelijke dominantie. De redenatie is als volgt: om te slagen op het allerhoogste niveau, moetje geobsedeerd zijn tot op de rand van het waanzinnige, en moet je in staat zijn om alle afleiding van vrienden en familie, waar gewone mensen niet omheen kunnen, te negeren. Genieën leiden een chaotisch, problematisch leven, waarbij hun enorme talent leidt tot allerlei sociale en psychische problemen, met vaak dramatische gevolgen. De mannelijke leefwijze is gunstiger voor dit in wezen egoïstische gedrag dan de vrouwelijke. Bovendien trekt het genie zich niks aan van het gezonde verstand en het vermogen om zich bezig te houden met meerdere dingen tegelijk, wat sterk vrouwelijke kwaliteiten zijn. Het genie moet op irrationele wijze gericht zijn op één ding, en dat past beter bij de mannelijke aard.

Voortbordurend op dit thema wordt er wel gesuggereerd dat, alsje de verschillende intelligentieniveaus van grote groepen volwassenen bekijkt, er een typisch mannelijk en een typisch vrouwelijk patroon bestaat. Net als bij de speciale capaciteiten kun je niet spreken van een 'superieure' en een 'inferieure' sekse. In plaats daarvan is de frequentie verschillend. De manneliike'intelligentiecurve'ls breder en lager dan die van de vrouw. Dat betekent dat er niet alleen meer mannelijke genieën zijn, maar ook dat er, aan de andere kant van de schaal, meer mannelijke stomkoppen zijn. De vrouwelijke schaal is smaller en hoger. Met andere woorden, als je intelligentie verdeelt in drie niveaus - geniaal, intelligent en dom - dan zul je meer mannen aantreffen aan de extreme uiteinden (het geniale en het domme niveau) en meer vrouwen in het rmdden (het intelligente niveau).

Het is moeilijk om deze redenatie wetenschappelijk te onderbouwen, want er zijn veel subjectieve elementen bij betrokken. Een don uit Cambridge, Charles Goodhart, heeft de examenresultaten bestudeerd van grote groepen mannelijke en vrouwelijke studenten. Wat ontdekte hij?' Mannen zijn oververtegenwoordigd bij de hoogste cijfers - en bij de laagste. De vrouwen zitten samengepakt in het midden. Ze krijgen bijna allemaal een voldoende tot een ruime voldoende - er zijn minder uitblinkers en minder stomkoppen.'

Er werd hevig geprotesteerd tegen zijn bevindingen, maar hij wees erop dat het in genetische zin logisch is: vrouwen hebben twee X-chromosomen, terwijl mannen één X- en één Y-chromosoom hebben, waardoor er bij mannen meer variatie bestaat. Hij opperde dat dat verschil bij andere kwaliteiten ook bestond. Zo zouden er grotere onderlinge verschillen moeten bestaan in fichaamslengte bij mannen - wat inderdaad het geval is.'Er bestaan heel lange mannen en heel kleine mannen; vrouwen zijn vaker van hetzelfde laken een pak.'

Het moet gezegd worden dat een grotere psychische variatie bij mannen ook in evolutionaire zin logisch is. Vrouwen zijn veel te belangrijk voor de voortplanting om veel risico's mee te nemen. Daarom blijven zij veiligheidshalve gewoon 'intelligent', waardoor de veiligheid van hun kinderen ook wordt vergroot. Mannen zijn beter vervangbaar wat betreft de voortplanting, dus is het in genetische zin nuttig om met hen te 'experimenteren', zodat er een grote spreiding van psychische types blijft bestaan. Daardoor zal er regelmatig sprake zijn van excentrieke of buitengewone mannelijke hersens, die de creatieve druk in stand houden en zorgen voor een belangrijke vernieuwing waardoor de menselijke soort weer een stap verder komt in haar ontwikkeling. Als er af en toe een 'experiment' mislukt en het genie gek wordt, is er wat betreft de algemene voortplanting weinig verloren.

De verdeling van psychische arbeid, als die op een biologisch niveau werkelijk bestaat, zou een efficiënte manier zijn om het nageslacht op een veilige manier groot te brengen, en tegelijkertijd op een onveilige manier een toekomst uit te denken.

Anders, maar gelijk
Dit zijn enkele van de belangrijke biologische verschillen tussen mannen en vrouwen. Sommige zijn directe seksuele signalen waardoor mannen herkenbaar zijn als man, en vrouwen als vrouw. Andere kunnen worden verklaard door te verwijzen naar de verdeling van taken de oertijd die zich binnen onze soort heeft ontwikkeld, waarbij de man jaagt en de vrouw verzamelt en kinderen baart; waarbij mannen zijn gebouwd op snelheid en kracht, en vrouwen op uithoudingsvermogen en moederschap. De combinatie van deze verschillende vormen van pressie heeft onze lichamen gevormd en de lichamen van de volwassen man en de Volwassen vrouw geschapen zoals we ze nu kennen, in al hun subtiele pracht.


 
Eerste mondelinge toetsen achter de rug
De eerste klasgroep die godsdienst mondeling heeft afgelegd was 6B1,2. De examens liepen vertraging op, zonder dat het al te erg uit de hand liep. Op zich is dat geen goed teken: als het uitloopt in de tijd, dan gaat het moeizaam. Dat was nu ook wel zo. De andere klassen komen in de loop van volgende week aan de beurt. Er is dus hoop op beterschap... /( /-/


6d: kort en krachtig
De mensen van 6TW hebben vandaag hun toets gehad. Ze zijn intussen ook al bijna allemaal gekwoteerd. Het werd een kort examen. De punten lopen uiteen, maar er zijn geen ongelukken gebeurd. Ik wil de teewee'ers nog succes wensen bij het presenteren van hun gip. /( /-/



10.6.02
 
6ASO: te kennen leerstof
In het voorbije halfjaar werden een aantal terreinen verkend, die hieronder worden overlopen. De korte inhoud, die als 'te kennen leerstof' wordt beschouwd, wordt hier aangeboden. De inhoud is in drie deelterreinen onderverdeeld:

1 Godsdiensten in de wereld; wat is godsdienst?
2 Religie en geweld: is er een verband?
3 Zingeving in onze tijd; zingeving en godsdienst.

Deze drie deelterreinen worden hieronder weergegeven.


1 Godsdiensten in de wereld; wat is godsdienst?

1.1 Componenten van religie Je kan je de vraag stellen wat 'godsdienst' eigenlijk is. Het is geen eenvoudige vraag. We zien wel mensen, die zich met allerlei dingen bezighouden (kaarsen en wierook branden, bidden, mediteren, zingen van psalmen, een bedevaart doen...) en al die dingen samen noemen we 'godsdienst' of 'religie'. Inhoudelijk zien we dat deze mensen, die met godsdienstige zaken bezig zijn, ook bepaalde dingen geloven, en dat zij zich aan bepaalde rituele en morele regels houden. Religie en godsdienst hebben dus een inhoudelijke (geloofsinhoud), een ethische (gedragsregels) en een rituele (bijvoorbeeld: knielen, bidden...) component.
In een overzicht:
- cognitief-inhoudelijke component: wat gelovigen geloven.
- ethische component: de gedragsregels waar gelovigen zich aan houden.
- rituele component: de handelingen en gebruiken die typisch zijn voor een bepaalde godsdienst.

1.2 'Bronnen' van religie Naast deze vrij zichtbare componenten(1) is er ook de (religieuze) ervaring, die aan de basis ligt van alle andere componenten. Deze ervarings-component is het minst zichtbaar en het moeilijkst te omschrijven. Misschien kan men de ervaringen die men 'religieuze ervaringen' noemt, opdelen in twee categorieën: er zijn ervaringen van nietigheid en angst enerzijds, en er zijn ervaringen van verwondering en geluk anderzijds.
1.2.1 Ervaringen van angst en nietigheid (het 'tremendum' [-]) - Mensen beseffen op bepaalde momenten dat hun bestaan niet gefundeerd is op vaste grond. Wij weten dat wij er ook niet hadden kunnen zijn (ons bestaan is toevallig) en dat we er op een dag ook niet meer zùllen zijn. Dat besef is verontrustend. Het lijkt soms ons levensgeluk te vergallen. Anderzijds geeft dit besef aan het leven ook een zekere urgentie: omdat het beperkt is in tijd, willen we de korte tijd die we hebben, ook goed benutten. Het leven krijgt een zekere spankracht.
Nu gaan sommige mensen een stap verder: zij blijven niet bij de eigen beperking zitten, maar vermoeden dat er ook een 'ultieme' of een 'uiteindelijke' werkelijkheid is, die hun beperkte bestaan overstijgt. De immense sterrenhemel is hiervan altijd een sterk symbool geweest: de ontelbare sterren in hun 'eeuwige' schoonheid suggereren dat er een oneindige werkelijkheid bestaat: de godenwereld, het nirvana... Op die manier is het besef van eindigheid en nietigheid een bron van religiositeit: mensen gaan op zoek naar het volmaakte en het eeuwige en treden met die 'eeuwige' werkelijkheid, die dan vaak 'God' genoemd wordt, in verbinding. (Het woord 'religie' zou verwijzen naar dat ver-binden (lat: re-ligare), al is die etymologie niet helemaal zeker(2). In dit verband is het gegeven van het offer belangrijk: we hebben gezien dat mensen vaak door het brengen van slacht-offers de hogere machten gunstig willen stemmen en allerlei onheil afwenden.
De ervaring van angst en nietigheid is dus een eerste 'bron' van religie. Religie heeft dan de functie dat zij angst 'reduceert': door het brengen van offers, het bidden, het aanbrengen van amuletten, wijdingen enz. weet de religieuze mens zich gesterkt, en is de angst (gedeeltelijk) weggenomen.
1.2.2 Ervaringen van verwondering en geluk (het 'fascinosum' [+]) - Naast de functie angstreductie, die eerder een negatieve bron voor religie is, is er ook de ervaring van overweldigende schoonheid en de ontroering die dit bij mensen teweegbrengt. De schoonheid van de natuur kan de vraag naar het waarvandaan doen ontstaan: steekt hier een plan achter? Het lijkt inderdaad voor heel veel mensen weinig aannemelijk dat de hele kosmos louter toevallig zou zijn ontstaan en helemaal toevallig zo fascinerend is geworden als wij nu kunnen zien. Ook het eigen bestaan kan voor veel mensen een bron zijn van diepe dankbaarheid: ze beseffen dat het hun gegeven is als puur geschenk, waar zij zelf niets voor gepresteerd hebben. Die dankbaarheid richt zich dan tot de uiteindelijke schenker, die dan God wordt genoemd.
Interessant in dit verband is een verhaaltje van Flew:
Twee mannen maken een wandeling door een oase in de grote woestijn. Ze zien dezelfde oase. Maar een van beide mannen zegt na een tijd: 'er moet hier een tuinman aan het werk zijn geweest'. De andere vraagt waarom de eerste dat zegt. Die wijst dan naar allerlei regelmatigheden in de oase, in de manier waarop de planten zijn opgesteld, en hij wordt er gaandeweg steeds meer van overtuigd dat er een tuinman moet zijn, die de oase zo heeft aangelegd. De andere ziet dat niet zo. Volgens hem is alles in de oase zo toevallig ontstaan en ontwikkeld. Voor hem geen tuinman met een plan. De twee mannen besluiten op zoek te gaan naar de tuinman, maar ze vinden hem niet. De tweede man zegt dat hij dus gelijk heeft: er is helemaal geen tuinman. Maar de eerste is niet van zijn stuk gebracht en oppert dat de tuinman misschien onzichtbaar is. Ze gaan dan weer op zoek, maar nu proberen ze de onzichtbare tuinman te horen. Ze luisteren overal, maar horen niets. Opnieuw stelt de tweede man dat er dus wel geen tuinman zal zijn, maar de eerste begint over een onzichtbare en tevens onhoorbare tuinman, zodat de eerste het op zijn heupen krijgt en vraagt: wat is dat nu? Je houdt vast aan een tuinman die je niet kan zien en en niet kan horen. Ik zeg dat er helemaal geen tuinman is. Wat is nu het verschil?
Flew's parabel gaat over die verwondering over de wereld. Sommigen zien in de schoonheid en de orde een teken van een ontwerper, die dan de Schepper is van alles. Ze herkennen de sporen van die Schepper en zijn plan (Eng.: 'design') in allerlei aspecten van de wereld. Het maakt voor hen wel degelijk uit dat er een Plan is: ze willen met dat Plan rekening houden en de wereld beheren in overeenstemming met dat plan.
Deze tweede bron van religie is dus eerder positief: mensen zien achter de schoonheid van de wereld en hun eigen bestaan een zin en een oorsprong en brengen die zin (het waarheen) en de oorsprong (het waarvandaan) in verband met God. Religies hebben dan ook vaak verhalen over de oorsprong van alles (schepping) en over het Grote Einde (apocalyptiek, eschatologie). Die voorstellingen zijn geen vrijblijvende verhaaltjes: religieuze mensen houden er in het dagelijkse leven rekening mee.(3)
Besluit: Religie ontstaat waar mensen in hun eigen eindigheid en in de verwondering voor de schoonheid van de schepping, een werkelijkheid vermoeden die de beperkte, onvolmaakte en eindige wereld overstijgt en draagt. Religie is dan het in verbinding treden met die Ultieme Werkelijkheid.

2 Religie en geweld: is er een verband?
Een deelterrein waar we dit jaar aandacht aan geschonken hebben is de vraag of er een verband bestaat tussen godsdienst en overdraagzaamheid en geweld. Op Goede Vrijdag hebben we de voordracht gehad van Boban Vettikkattil. Ik ga de discussie, die dit jaar door de gebeurtenissen van 11 september in Amerika en de aanslagen in India, bijzonder in de belangstelling kwam, hier niet overdoen. De leerlingen hebben voldoende documentatie om dit thema te bestuderen. Zij kunnen ook teruggrijpen naar de 'In de kijker' in het archief op de Thomas-website [KLIKHIER]

3 Zingeving in onze tijd; zingeving en godsdienst.
In een derde deelaspect hebben we kort nagedacht over de zingevingsvraag. Elders op deze pagina vind je daarvan de tekst. Kort samengevat kan je zeggen dat de komst van de moderniteit de vraag naar de zingeving sterk heeft beinvloed. Door het opkomen van de objectieve blik is in zekere zin ook het subject - of het individu - ontstaan. Dat wil zeggen dat mensen sinds de Nieuwe Tijd een zekere afstandelijkheid hebben aangenomen tegenover de dingen. Waar in traditionele samenlevingen de betrokkenheid op het leven in groepsverband heel vanzelfsprekend was, stelt de moderne mens zich de vraag: waar gaat het om? Wat is de zin van mijn persoonlijk leven? Intussen is de objectiviteit in alles de norm geworden. De wiskunde en de wetenschappen zijn het model bij uitstek voor onze kennis. Ook voor de vraag naar zin, zouden we graag een objectief antwoord willen hebben. Alleen, dat objectieve antwoord is niet voorhanden. We hebben onderzocht wat mensen bedoelen als ze zeggen dat iets zinvol is. Het gaat dan om dingen die een zeker belang hebben en een bepaalde duur. Maar wat heeft dan uiteindelijk zin? Alles gaat voorbij, ook mijn leven (zie hoger onder 1.2.1). Wat heeft dan zin? Wat is uiteindelijk belangrijk? De zucht naar objectiviteit maakt het nog erger: als ik afstand neem van de dingen, ook van mijn eigen leven, wat kan ik dan belangrijk noemen? Objectief lijkt het allemaal zo'n gedoe. Wat heeft dan zin?
Zin lijkt alleen gevonden te worden als mensen bij iets betrokken raken, als zij zich engageren. Dat is dan subjectieve betrokkenheid. Het is dus meer een zaak van doen, dan van denken. Je kan op een eerder paradoxale manier zeggen dat je de vraag naar zin kan oplossen, door ze niet meer te stellen. In het engagement, in het betrokken-zijn op de dingen (in relaties, werk, enz.) lost de vraag als het ware op. Ze wordt dan overbodig. Dat neemt niet weg dat de zinvraag niet opnieuw zal opduiken, maar ook dan is hij alleen maar 'op te lossen' door mij te engageren en betrokken te zijn op het andere-dan-ikzelf.
In dat laatste lijken de bronnen van religie en de bron van de zinvraag bij elkaar aan te kunnen sluiten: het gaat in beide om een betrokken-zijn-op. Mensen lijken alleen een zinvol bestaan te kunnen leiden als zij zich betrokken weten bij iets dat hen op een of andere manier overstijgt (een groter geheel). Een leven in complete isolatie lijkt weinig zinvol. Mensen hebben nood aan een groter geheel, waaraan zij zin ontlenen. Dat kan een groep zijn ('gemeenschap') waarmee men samen (het leven) leeft. Het kan ook een beweging zijn, waarin men zich engageert voor een paar idealen. Het kan ook een werkomgeving zijn, waarbinnen men een zinvolle plaats inneemt. Vooral arbeid lijkt vandaag een belangrijke zingever. (Met de bekende moeilijkheden van pensionering, ontslag en werkloosheid: wat geeft dan nog zin?)
Het feit dat mensen aan een ruimer geheel zin ontlenen, is niet zonder gevaar. Het is duidelijk, dat men zich ook kan engageren in een groep of een beweging die dat niet waard is. Je kan je op sleeptouw laten nemen door een extremistische groep, die haat en ongelijkheid nastreven (vgl: fascisme). Het komt er dus op aan zich te engageren in een groter geheel, waarin het de moeite loont zich te engageren.
Het zoeken naar zin is geen kwestie die je voor eens en voor altijd kan beslechten. De vraag stelt zich vaak opnieuw, op een telkens weer nieuwe manieren. Maar het is zaak om er steeds weer aandacht voor te hebben, en het is soms nodig om je doelen bij te stellen. Een mooie illustratie hiervan ontleen ik aan de verhalenreeks rond koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel. Zij zijn al een tijd op zoek naar de Graal, een voorwerp waarin je het zoeken naar geluk en zin kan herkennen. Het valt niet mee om de graal te vinden. De koning van de graalburcht was dus 'in slaap gevallen'. Je kan zeggen dat hij de strijd niet meer zag zitten. Dat was een ramp: in heel zijn rijk was alles en iedereen ingedommeld in een vorm van lusteloosheid en depressie. De planten en de dieren sliepen, en ook bij de mensen was alle fut er uit. Maar dan komt er een ridder aan bij de burcht. Hij stapt onmiddellijk naar de koning en vraagt hem op de man af, rechtstreeks: 'waar is de graal?' De koning schrikt op en is meteen klaarwakker. En samen met hem ontwaakt alles en iedereen in het hele land. Alles komt weer tot leven, omdat iemand opnieuw de vraag stelde: waar gaat het om?
Uit de legende blijkt dat het belangrijk is om wakker te worden en de vraag te stellen waar het uiteindelijk om gaat. Die vraag, waar dus geen pasklaar antwoord op gegeven kan worden, is niettemin de belangrijkste. Voor ons is het moeilijk te blijven zoeken naar een antwoord, als dat zich niet vinden laat. Dan dommelen we in en stellen we ons tevreden met een leven van middelmatigheid. Maar dat belet niet dat de vraag naar geluk en zin niet opnieuw komt aankloppen. En dan is er meteen weer leven en avontuur.
Besluit
Sinds de tijd dat mensen zich bewust werden van hun bestaan, zijn ze op zoek naar antwoorden op de vragen die opkwamen uit dit zelfbewustzijn. De vragen en de antwoorden die mensen hebben gevonden, zijn veranderd. De religieuze tradities die we ontmoet hebben en waarvan we een klein stukje hebben gezien, zijn pogingen om van dit bestaan iets te maken dat de moeite waard is. Dat de antwoorden soms ook aanleiding waren voor twist en strijd, is een trieste realiteit die niet te ontkennen valt. Toch zijn er in de bestaande tradities ook elementen te vinden die kunnen helpen in ons eigen zoeken naar antwoorden. We hebben daarvan verschillende voorbeelden gezien (Hendrickx, Stevens, Chaja...). Bestaande religieuze tradities kan je niet allemaal op één hoopje bij elkaar vegen: daarvoor zijn ze te verschillend. Maar al zijn bestaande tradities op het eerste zicht stoffig en misschien ook wel vaak oubollig, toch denk ik dat ze in hun bagage parels en diamanten meedragen die ook vandaag nog schitteren. Voor mensen die vandaag in de shopping malls van onze steden ver-veel-d worden door het vele dat daar aangebracht wordt als koopwaar, waarmee je jezelf (kleding, accessoires, allerlei gadgets) en je omgeving (je interieur, auto, tuin) kan verfraaien, dan is daar in de buurt toch onveranderlijk weer die moskee, die tempel of die synagoge en niet in het minst dat kerkgebouw, waar mensen vaak al vele generaties op een heel andere manier bezig zijn geweest met dezelfde vragen die mij naar het winkelcentrum hebben gedreven: Wie ben ik? Wie wil ik zijn? Wat is belangrijk? Waar kom ik vandaan en waar ga ik heen? En niet in het minst: Hoe moet ik leven?
Maar dan mag toch ook duidelijk zijn dat ook in die andere gebouwen, die daar vaak al veel langer staan, ook geen pasklare antwoorden te vinden zijn. Was dat wel zo, dan zou ik ze wantrouwen(4). In een religieus gebouw kan ik terecht met mijn fundamentele angst, maar ook om dank te zeggen en stil te staan bij de bronnen van leven die ik vermoed en soms ook ervaar, en waarmee ik in verbinding wil treden, omdat ik iets wil doen met die ervaringen en omdat ik denk dat ik en mijn omgeving daar beter van worden.
In het kort was dat het dat waar het nu en dan over ging in de lessen van de laatste maanden.

-------------------------
Noten:
(1) In de lessen hebben we samen heel wat van die zichtbare componenten bekeken. Je moet in je bundel bij de verschillende lessen de vraag stellen: welke componenten herken ik hier? Maak daar een overzicht van, zodat je op het examen vlot een aantal voorbeelden kan geven van elke component.
(2) We hebben speciaal gekeken naar de prehistorie om daar vast te stellen dat de makers van Stonehenge inderdaad betrokken waren op de wereld van de overledenen, van wie zij vermoedden dat zij een invloed lieten gelden op hun leven. Door in contact te treden (wellicht via sjamanistische rituelen) met de overledenen, probeerde men informatie te bekomen, of bescherming, of wilde men allerlei onheil afwenden. Hoe dat precies ging, is voor ons niet zo belangrijk, maar het maakt wel duidelijk dat - ook al in de prehistorie - mensen zich afhankelijk hebben gevoeld van machten die hen ver te boven gingen. We hebben hierbij in een song van Van Morrison die ervaring nader bekeken.
(3) In het voorbeeld van de joden van Antwerpen hebben we kennis gemaakt met een bepaald geloof in Schepping. Je kan gemakkelijk nagaan dat aan dit geloof ook praktische consequenties (ethische en rituele) vasthangen voor dit geloof.
Al te duidelijke antwoorden komen veelal uit een extremistische of fundamentalistische hoek.



7.6.02
 
Resultaten toets 5B3
Dit zijn de resultaten van klas 5B3. Ze zijn goed. Dit is de distributie in procenten:

<50% 0
50 - 59 0
60 - 69 5
70 - 79 3
80 - 89 6
90 - 99 2

Het gemiddelde is 77%, de hoogste score is 96% en de laagste is 61%.
Een vrij behoorlijke uitslag dus. Goed gewerkt! /( /-/




 
Eerste examens rkg afgelegd
Een half uur geleden zijn de eerste examens ingeleverd. De eerste kopij werd om 09:50u afgegeven. De meeste mensen bleven aan het werk tot aan het belsignaal. "Wie was die sympatieke leraar godsdienst?" (in het kruiswoordraadsel). Dat wist Kristof niet. Wat moet ik daar op zeggen? Deze leraar godsdienst gaat nu aan het verbeteren slaan. Voor 5B3 zit het er voor dit vak op. Misschien zien we elkaar over een 3-tal maanden terug. Ik zou het persoonlijk niet zo erg vinden: het was een goede klas. Misschien niet de beste voor mijn vak, maar dat maakt de uitdaging alleen wat groter. Nog veel succes bij de andere toetsen. /( /-/


6.6.02
 
De fasen volgens E Kübler-Ross
Kristof Menten vroeg op donderdag 6 juni 2002 om 18:32 naar de theorie van E Kübler-Ross:
Die theorie is gezien naar aanleiding van de kortfilm 'Dag Jan'. Het gaat inderdaad om het rouwproces of verwerkingsproces.
Je vindt er alles over op internet , onder meer hier (klikmij) - kijk verder onder de link Elisabeth Kübler-Ross)
Hieronder een beschrijving van de verschillende fasen - dan hoef je niet te zoeken:
----------------------------------------------------------------------------------------------------
Verschillende fasen die bij een rouwproces kunnen voorkomen :
"Indien mensen met hun eigen dood of met verlies van een dierbare geconfronteerd worden, zijn er diverse fasen te herkennen, die men doorloopt bij de verwerking."

1.Ontkenning/isolering: men wil het gegeven niet accepteren, 'het is niet waar'. De ontkenning werkt als een soort tijdelijke afweer na een onverwacht schokkend bericht en geeft de patiënt gelegenheid weer tot zichzelf te komen en een manier te vinden om hiermee om te gaan.

2.Woede en verzet: als de waarheid tot de patiënt is doorgedrongen, dan ontstaat er vaak boosheid. Deze woede kan zich richten op van alles, de artsen of verpleegsters, God, zichzelf, het eigen lichaam, familieleden, enz. In deze periode is het moeilijk de patiënt te benaderen, maar het is belangrijk dat men deze boosheid kan uiten.

3.Marchanderen: men gaat proberen met God, het Lot of het eigen lichaam te onderhandelen. Men belooft het één te doen als er iets anders tegenover staat, men zegt bijv. 'als ik nu nooit meer snoep, dan zal ik beter worden' of 'als ik heel aardig ben voor iedereen, dan kan ik mijn kinderen zien opgroeien'. Vaak liggen er allerlei schuldgevoelens aan deze fase ten grondslag.

4.Depressie: in dit stadium kan men de patiënt bijna niet bereiken, hij zit diep in zijn verdriet en niets kan hem eruit halen. Men is bezig de verliezen die men al gele- den heeft te verwerken en zich voor te bereiden op de verliezen die nog gaan komen. Men kan nu behoefte hebben aan het steeds weer uiten van het verdriet of juist aan het zich in zwijgzaamheid hullen.

5.Aanvaarding: als een patiënt voldoende tijd en vaak ook enige hulp heeft gehad om door de genoemde stadia te gaan, dan kan hij bij deze laatste fase komen: de acceptatie van zijn lot. Er komt een soort berusting en het lijkt of er geen emoties meer zijn. Men trekt zich wat terug en heeft niet veel interesse meer in de buitenwereld. Er is veel behoefte aan rust en soms zie je dat men ook weer kan genieten van de goede dingen die er nog zijn.

Genoemde fasen behoeven niet in deze volgorde doorlopen te worden en ze vragen zeker niet allemaal dezelfde tijd. Bij iedere persoon verloopt het proces weer anders; sommige mensen slaan fasen over en anderen blijven in één fase hangen. Bij leder verlies dat men lijdt, zal men door deze stadia gaan en het hangt af van de grootte van het verlies of het proces veel of weinig tijd vraagt. Mensen zouden in al deze stadia respect en begrip moeten ervaren van allen om hen heen; ze moeten ervaren dat er aandacht besteed wordt aan hun gevoelens, dat ze serieus worden genomen. Het herkennen, erkennen en benoemen van dit proces en deze stadia door Elisabeth heeft de aandacht en het begrip voor terminale patiënten en het omgaan met verlies en rouw zeer positief beïnvloed, niet alleen in Amerika maar over de hele wereld.

"Laat ziekte of het sterven van iemand een inspiratie zijn om ons leven te heronderzoeken; om onszelf af te vragen wie we dank verschuldigd zijn of met wie we nog wat goed moeten maken. Voor wie we woede of schuld voelen of liefde die we niet geuit hebben. En laten we deze onafgemaakte zaken afmaken". /( /-/



 
Examen van klas 5B3 binnen 18 uur!
Een beetje (!?) later dan afgesproken, de laatste nieuwtjes over het examen. Dit gaat in eerste instantie over het examen voor 5B3, vrijdag 7 juni in de studiezaal. Ik doe zelf het toezicht, maar ik hou me verder van de domme: vragen stellen mag niet.
OK, hoe is het examen geworden? Ik vind vrij goed, eigenlijk. De volgende dingen zouden wel eens voor kunnen komen:
- De vrouw die God zocht. Vreemd Afrikaans verhaal, met een indringende vraag erbij. Zou voor kunnen komen.
- De 5 stadia in het algemene verwerkingsproces: zoals afgesproken is dit te kennen leerstof (TKL). Je moet deze theorie van E. Kübler-Ross in eerste instantie kunnen toepassen op concrete verhalen. Dat zit zeker in het examen. Alleen van buiten kennen is niet voldoende, nochtans: je moet het door-en-door kènnen, de theorie echt bezitten.
- Iets uit de abortuskliniek (let wel: niet alle klassen hebben dit gehad; 5B3 wel). Zou er in kunnen zitten.
- "7 x 4" : een paar keer gedaan. Neem nog eens door hoe dat ging. Zou er in kunnen zitten.
- Is Temptation Island de ultieme relatietest? (www.vt4.be/temptation)
- Die tieners in Rockdale County: op zoek naar aandacht? Zit er misschien wel in...
- Epidemie! Wie weet zit het er in?!
- Waarom seks? - We vroegen het ons af: waarom is al dat gedoe nodig? Had het biologisch ook anders gekund?
- 'Trouwen was houwen': ken de geschiedenis van het huwelijk!
- Desmond Morris verklaart op zijn manier (als antropoloog) verschillende elementen in de partnerkeuze van mannen en vrouwen. Dat kan je in een eerder bericht nalezen... Zeker doen!
- En een kruiswoordraadsel is er ook bij. De kleur van de passie is rood. Maar dat wist je. De rest weet je ook, als je alles tenminste goed hebt doorgenomen.
Kom hier kijken voor een reactie het verbeteren.


4.6.02
 
Zomertoets voor 5ASO nadert voltooiing
Een eerste versie van het examen voor 5ASO is intussen af. Maar er blijken nogal wat bugs in te zitten. Sommige vragen bleken het antwoord op weer andere vragen te bevatten, wat natuurlijk een giller is.
Ik finaliseer dit examen vandaag nog, maar de update op deze pagina zal nog even moeten wachten tot woensdagavond. Watch this space! /( /-/


28.5.02
 
5de jaar
Info: de 'zoenvis', die we aan het werk zagen in de film 'Zoenzucht', heet officieel 'Helostoma Temmincki'. Niet zo makkelijk te onthouden, maar nu weet je het ;-) /( /-/


23.5.02
 
Cursusdeel over zingeving - 6de jaar
1.2.3. Wie heeft er gelijk?
1.2.3.1. De modernisten
Modernisten geloven dat de idealen van het modernisme (zoals die in de Verlichting werden uitgedragen) nog steeds moeten worden nagestreefd. De mens moet in volledige vrijheid en autonomie oplossingen blijven zoeken voor de problemen die zich aandienen en vooral niet hervallen in allerlei vormen van bijgeloof. Modernisten 'geloven' dus in de menselijke rede. Als je de problemen maar goed genoeg analyseert en aanpakt, dan raak je er wel uit. Het heeft geen zin te vervallen in moedeloosheid, hoe groot de problemen vandaag ook lijken te zijn; integendeel: we moeten blijven ijveren voor vrijheid en vooruitgang en vooral in onszelf en onze mogelijkheden blijven geloven. Modernisten wijzen de traditie af: je moet de dingen altijd zelf onderzoeken en een open geest houden. Het heeft geen zin om voorgekauwde ideeën zonder goede rationele gronden zomaar te aanvaarden. Immanuel Kant zei: "Durf zélf te denken".
1.2.3.2. De traditionalisten
Maar is het wel mogelijk om een volledig autonoom standpunt in te nemen en over alles een origineel denken te ontwikkelen? Kan je zomaar afstand doen van de traditie waarin je opgegroeid bent? Volgens traditionalisten is dat niet mogelijk. Neem de taal: je kan die toch alleen maar leren van je ouders en omgeving? En de zgn. wolfskinderen, die in de natuur zijn opgegroeid, ver van de mensen? Die hebben er niet veel van terechtgebracht en zelfs geen menselijke taal ontwikkeld! Je kan dus de traditie niet zo maar ongestraft aan de kant schuiven. Althans de taal kan je niet in je eentje verzinnen en taal is een deel van onze traditie. Voor traditionalisten is de traditie dus niet negatief. Ook voor het oplossen van hedendaagse problemen kan de traditie oplossingen aandragen. Het zou dom zijn daar niet naar te luisteren en te denken dat je met een blanco blad kan beginnen, zoals de modernisten willen doen.
1.2.3.3. De postmodernen
Een derde stem in het debat zegt dat het modernisme in feite voorbij is. Mensen worden niet meer geïnspireerd door de 'grote verhalen' (het communisme, het kapitalisme, het vooruitgangsdenken) en leven vandaag in een geheel nieuwe situatie. Het komt er op aan dat we die nieuwe situatie (die gekenmerkt wordt door onzekerheid) aanvaarden en er leren mee te leven.
Het postmodernisme ontstond als een nieuwe beweging in de architectuur. Alle vormen van modernisering waren op een bepaald moment al uitgeprobeerd en men stelde vast dat iets echt nieuws nergens meer te vinden was. En men begon dan maar terug te grijpen naar elementen uit bestaande bouwstijlen, die men op een speelse manier met elkaar begon te combineren. Die manier van werken werd overgenomen door anderen die in de kunst, de muziek, maar ook in de literatuur, de film en ook in de mode begonnen aan het 'herkauwen' van oudere stijlen en tradities. Het bijzondere is echter, dat men die stijl niet opnieuw als een echte stijl gaat beleven; het blijft bij louter (lichtzinnig) spel. En daarin ligt iets van de essentie van het postmoderne levensgevoel: eigenlijk gelooft de postmoderne mens nergens meer in, maar hij 'speelt' met allerlei dingen, waarvan we in de rest van deze cursus zullen zeggen dat het wellicht tot een zekere onverschilligheid leidt. In de literatuur is het postmodernisme duidelijk aanwezig in de roman 'De ondraaglijke lichtheid van het bestaan' van Milan Kundera en 'Rituelen' van Cees Nootenboom.

2 Op zoek naar zin
In het eerste hoofdstuk werd de huidige situatie algemeen geschetst. We hebben het nog niet echt over de zinvraag gehad. Dat gebeurt nu. Het is belangrijk dat je ziet dat de zinvraag problematisch geworden is door de evolutie die in het eerste hoofdstuk werd getekend.
2.1 Wat verstaan we onder 'zinvol leven'?
Het lijkt vanzelfsprekend dat we zinvol willen leven. Maar wat is een zinvol leven? Wat bedoelen we daarmee?
2.1.1. Wat betekent 'zin'?
Mensen bedoelen met 'zin hebben' twee dingen:
(a) In de eerste plaats kan men bedoelen dat een bepaalde handeling belangrijk is, bijvoorbeeld omdat het niet iets van erg voorbijgaande aard is. Zo zal iedereen het erover eens zijn dat je geen kaartje koopt voor een toneelvoorstelling die over 5 minuten afgelopen zal zijn. 'Dat heeft geen zin (meer)', zou men dan zeggen. 'Zin' kan dus betekenen dat iets een zekere duurzaamheid heeft of 'van belang' is. Zo hoopt iemand die een huis bouwt, er een zekere tijd van te kunnen genieten.
Maar wat heeft uiteindelijk dan belang? Niets blijft immers eeuwig duren! Alles wat we zien en zijn, is van een korte duur. Met deze betekenis van 'zin' komen we niet ver.
(b) Men zou met 'zinvol' ook kunnen bedoelen dat iets kadert in een groter geheel. Zo heeft het bijvoorbeeld zin om uit je bed op te staan, omdat je dan kan gaan werken. Dat heeft op zijn beurt weer zin omdat je op die manier geld verdient om eten te kopen. Dat heeft zin omdat je daarmee in leven blijft.... maar dan zit je met een probleem: wat is de grotere context waarin het leven zelf zin heeft? Deze redenering kent immers telkens twee mogelijkheden: iets heeft zin omdat het grotere geheel, waarin het opgenomen is, zin heeft, maar dat grotere geheel heeft zelf maar zin omdat een nog grotere context (geheel) zin heeft. Als je zo doorgaat, moet je bij een supergeheel of grootste context uitkomen, die dan zin zou hebben. Zin heeft dus te maken met ons leven als geheel. Maar hoe moet ik dat verstaan? Het is niet meteen duidelijk waarin die grootste context van ons leven bestaat.
Sommige mensen zullen hier antwoorden dat God de allergrootste context is, die ons hele leven zin geeft. Voorlopig kan hier alleen gezegd worden dat het niet voor iedereen en meteen duidelijk te maken is hoe het bestaan van God mijn leven meteen zinvol zou kunnen maken.
Een opmerking die hier gemaakt kan worden is die van "so what?" Maakt het wat uit of ons leven zinvol is of niet. De meeste mensen willen inderdaad dat hun leven 'er toe doet', dat het zinvol is. We zullen dit verlangen naar zin, dat op de kennelijke onzinnigheid van het leven stoot (zoals hoger beschreven) aanduiden als de absurditeit van het leven; dwz dat we verlangen naar zin, maar dat we die niet meteen kunnen vinden. In een volgend punt gaan we op die absurditeit in.
2.1.2. Geen menszijn zonder absurditeit
Het is vanzelfsprekend dat bepaalde handelingen onmiskenbaar zinvol zij. Zo is het redden van een kind dat dreigt te verdrinken, of zelfs het nemen van een aspirientje bij hevige hoofdpijn, duidelijk zinvol. Maar het gevoel van absurditeit ontstaat, wanneer we het leven zelf van op een zekere afstand bekijken en ons ernstig afvragen wat er de uiteindelijke zin van is. Absurditeit ontstaat dus uit het zelfbewustzijn. Een muis kan in zijn kooi bijvoorbeeld hard te keer gaan in een tredmolen. Wie dat geren observeert, zal besluiten dat het een (zo goed als) zinloze inspanning is; de muis gaat nergens heen en verspilt alleen een heleboel energie. Maar van op een afstand bekeken is het leven van mensen niet echt verschillend. Veronderstel dat je het gedoe in een school van op een grote afstand van bovenuit zou filmen en de film vervolgens in een versneld tempo afspelen. Alles wat je dan aan beweging ziet, lijkt dan futiel. Je zou spontaal lachen bij het zien van zoveel schijnbaar onzinnige activiteit. Nadenken over het leven op zichzelf, lijdt dus tot een besef van absurditeit. Je zou dus je zelfbewustzijn moeten uitschakelen, als je die absurditeit zou willen vermijden. Maar dan zou je jezelf moeten uitschakelen. Want mensen hebben nu eenmaal het vermogen tot zelfbewustzijn.
Dat laatste is feitelijk wat in oosterse religies, zoals het Boeddhisme, wordt nagestreefd: het individuele bewustzijn wordt als het ware opgeheven in een universeel of 'kosmisch' bewustzijn, waarbij het subject ahw 'opgaat' in de dingen.
Albert Camus beschrijft in 'De Mythe van Sisyphus' een leven dat wanhopig is, maar toch waardig blijft. Want waarom zou je eigenlijk wanhopen? Als ons leven absurd is, is die ervaring (of uitspraak) het toch ook? Waarom zou je dan treuren? Absurditeit hoort nu eenmaal onlosmakelijk bij ons zelfbewustzijn. En daar raak je niet vanaf. (...)


12.5.02
 
Verschillend, maar gelijk
Deel 2/2 - Hieronder volgt dus het tweede deel; het eerste deel vind je in het vorige bericht. Breng beide delen zelf in de juiste volgorde samen.

Door de diepere mannenstem kan de volwassen man angstaanjagender brullen, grommen en schreeuwen. Dat kan worden gebruikt om menselijke rivalen te intimideren, om prooi bijeen te drijven, of om roofdieren af te schrikken. Voordat hij zich volledig toelegde op de jacht, was de mannelijke mens waarschijnlijk een aaseter. In groepsverband joeg hij roofdieren weg van hun net gedode prooi. Daarvoor waren grote moed en actieve samenwerking noodzakelijk. Een diep gebrul moet nuttig zijn geweest bij het wegjagen van machtige rivalen.

De hogere vrouwenstem geeft de volwassen vrouw iets jeugdigs. Samen met enkele andere kenmerken, zoals een haarloze huid, geeft de hoge stem signalen door aan de man. Die signalen moeten ervoor zorgen dat hij bereid is bescherming te bieden. Doordat ze de stem heeft van een kind, kan de vrouw het koesterende, vaderlijke gevoel in haar partner wakker maken, en zo haar kansen op overleven vergroten, terwijl ze voor de kinderen zorgt.

Onafhankelijke moderne vrouwen vinden deze uitleg van hun hoge stem misschien beledigend, maar het feit blijft dat de vrouw uit de oertijd bij haar zware moedertaak alle hulp nodig had die ze kon krijgen om zichzelf en haar kroost te beschermen. Als ze dat kon bewerkstelligen door met jeugdige kenmerken beschermende, vaderlijke gevoelens op te wekken bij haar partner, dan aarzelde de evolutie niet haar dat voordeel te geven.

In de moderne wereld kan deze strategie uit de oertijd soms zijn uitwerking missen. Wat goed werkt binnen een gezinsverband, kan in een kantoor worden geëxploiteerd. De dominante man kan het jeugdige en daardoor onderworpen karakter van de hoge vrouwenstem gebruiken om zich superieur te voelen. Volgens een recent rapport wordt bij enkele japanse bedrijven van vrouwelijke werkneemsters verwacht 'dat ze preutse, identieke uniformen dragen en met zo'n hoog stemmetje praten dat de ruiten er bijna van breken - een klassieke vorm van vrouwelijke eerbied in Japan'.

Door een dunne piepstem te stimuleren, zorgen de mannelijke bazen ervoor dat opmerkingen of meningen van vrouwen nauwelijks indruk maken. Een omgekeerde trend zou juist in het voordeel van de vrouw werken, als het gaat om macht. Er wordt wel beweerd dat enkele vrouwelijke toppolitici uit het Westen stemtrainers in dienst hebben genomen om hen te helpen een diepere stem te krijgen, zodat hun uitspraken meer gewicht krijgen.


Psychische verschillen

De fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen staan buiten kijf. Iedereen kan ze zien (en horen). Maar hoe zit het met de psychische verschillen? Met deze kwestie begeven we ons meteen op glad ijs. Psychische activiteiten worden zo sterk beïnvloed door leren en oefenen dat elke suggestie over verschillen tussen 'mannelijk denken' en 'vrouwelijk denken','mannelijke intelligentie' en 'vrouwelijke intelligentie' meteen wordt verketterd als ouderwets, bevooroordeeld en seksistisch. Het is een gevaarlijk discussieterrein geworden, maar als ik me er als wetenschapper door modieuze taboes van laat weerhouden om objectieve vragen te stellen, kan ik net zo goed ophouden. Als er inderdaad verschillen zouden kunnen bestaan tussen de vrouwelijke en de mannelijke psyche, dan is het belangrijk om die onder ogen te zien en er rekening mee te houden, in plaats van ze onder een politiek correct tapijt te vegen. Als ze bestaan en worden genegeerd, dan zal niemand daar op lange termijn n bij gebaat zijn.

Hoe groot is de kans dat mannelijke hersens iets anders werken dan vrouwelijke? We weten dat er in de oertijd sprake was van een verdeling van de taken tussen de seksen, en dat leidde tot een lichte mate van fysieke specialisatie. Het lijkt dus redelijk om te veronderstellen dat er tegelijk sprake was van een zekere psychische specialisatie. Bij hun verschillende hoofdbezigheden zouden prehistorische mannen en vrouwen hebben geprofiteerd van onderling enigszins verschillende psychische processen. Zo moesten mannelijke jagers zich kunnen richten op hardnekkige, langdurige achtervolgingen, en zich kunnen concentreren op langetermijndoelen. Ze moesten in staat zijn om zich met één enkel probleem bezig te houden, en bijzaken te negeren. Om goed te zijn in de jacht, moesten ze zich iets meer concentreren op één ding dan de vrouwen.

Bovendien moesten de mannen hun visuele en ruimtelijke vermogens verbeteren om beter te worden in rondtrekken, spoorzoeken, hun doel kunnen raken en oriëntatie. Ook moesten ze zich bekwamen in het maken, onderhouden en repareren van wapens, en het verbeteren van de werktuigen. Ten slotte moesten ze bereid zijn risico's te nemen. Voor de voortplanting waren de mannen beter vervangbaar dan vrouwen, dus als er risico's genomen moesten worden, dan moest dat gebeuren door de man. De primitieve vrouw daarentegen moest vooral goed aan verschillende dingen tegelijk kunnen denken, en alles gelijktijdig kunnen organiseren. Voor het verzamelen van voedsel was geen gerichte concentratie nodig, maar wel sociale organisatie en communicatie. Omdat de prehistorische vrouw zich in het centrum van de gemeenschap bevond, terwijl de man ver weg aan het jagen was, moest ze goed zijn in het regelen van het sociale leven, in het toezicht uitoefenen op het wel en wee in het kamp, en de details van het gemeenschapsleven bespreken.

Zoals iemand ooit zei: 'Vrouwen zijn géinteresseerd in mensen, mannen in dingen.' Al is dat een karikatuur van de werkelijkheid, het is gebaseerd op een reëel en belangrijk verschil, een verschil dat er sinds de oertijd toe heeft geleid dat mannen géinteresseerd zijn geraakt in techniek en vrouwen in sociale vaardigheden. Daarom zul je op beurzen voor verzamelaars en modelbouwers vooral mannen aantreffen, terwijl op bijeenkomsten voor sociaal werk, liefdadigheidsinstellingen en andere zorgsectoren vooral vrouwen zult tegenkomen.

Primitieve vrouwen waren niet alleen rappere praters, maar moesten ook voorzichtiger zijn. Ze konden zich niet veroorloven om ernstige risico's te nemen, want ze waren te belangrijk voor een succesvolle voortplanting binnen de stam, en moesten zichzelf zo veel mogelijk vrij kunnen maken om voor hun kinderen te zorgen.
Kortom, de vrouwen moesten worden afgestemd op hun communicatieve en organisatorische taken en ze moesten verschillende dingen tegelijk kunnen doen zonder in de war te raken. Waar mannen hun gerichte concentratie, hun visuele capaciteiten en hun soms onbesuisde moed moesten aanscherpen, moesten vrouwen beter worden in het denken in verschillende richtingen, in hun verbale capaciteiten en hun behoedzaamheid die voortkomt uit hun gezonde verstand.

Wat voor bewijzen zijn er voor het idee dat moderne mannen en vrouwen nog steeds onderworpen zijn aan deze biologische verdeling van 'psychische arbeid'? Omdat we in maatschappijen leven waarin vrouwen eeuwenlange zijn onderdrukt door mannen, is het helaas moeilijk om biologie en cultuur te scheiden. Om dat toch te kunnen doen, is het noodzakelijk om op zoek te gaan naar gebieden waar de cultuur geen invloed heeft, en waar belde seksen gelijke kansen krijgen. Alleen dan kunnen we er zeker van zijn dat waargenomen verschillen in succes een onderliggende, biologische betekenis hebben.

Een van de manieren waarop we dit kunnen doen is door pasgeborenen te bestuderen, nog voordat volwassenen de kans hebben gehad om hun gedrag te beïnvloeden. Zoals ik al eerder zei zijn er zelfs op die leeftijd al belangrijke verschillen. In hun spel houden jongetjes van timmeren, terwijl meisjes handiger zijn. jongetjes zijn onderzoekender, meisjes voorzichtiger. jongens zijn beter in visuele en ruimtelijke taken, meisjes in verbale en communicatieve taken.

Bij volwassenen is het moeilijker om culturele vertekening te vermijden. Het eenvoudigste studieterrein is misschien wel de mate waarin risico's worden genomen. Hier lijken belde seksen inderdaad wezenlijk in biologische zin van elkaar te verschillen. Vrouwen komen minder vaak om bij een ongeluk. In sommige landen hebben mannen rond hun dertigste vijftien keer zoveel kans om te sterven aan de gevolgen van een ongeluk als vrouwen. Een onderzoek naar ongelukken op de weg heeft uitgewezen dat vrouwelijke autobestuurders misschien wel meer ongelukken maken dan mannen, maar dat de verzekeringsclaims veel hoger zijn als er mannen bij betrokken zijn. Met andere woorden, mannen hebben minder lichte en meer zware ongelukken.

Dat kan worden bewezen niet een eenvoudig experiment. Als mannen en vrouwen wordt gevraagd om voor het eerst te skelteren, zijn de verschillen in benadering meteen merkbaar. De vrouwen zijn onzekerder en al houden ze een matige snelheid aan, ze pro
beren hun skelter binnen de lijnen te houden. De mannen proberen ondanks hun gebrek aan ervaring zo snel mogelijk te rijden en komen regelmatig in de strobalen terecht.

Een onverwachte manier waarop de risico-nemende verschillen tussen man en vrouw tegenwoordig aan het licht treden, betreft de reactie op spinnen. Er is een gemeenschappelijke angst voor spinnen die bij belde seksen kan worden geconstateerd. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat alleen de hekel aan slangen groter is dan de hekel aan spinnen. Voor onze voorouders was dat een nuttige reactie omdat er inderdaad gevaarlijke spinnen waren. In Groot-Brittannië, waar de reactie op spinnen is onderzocht, is er op dit moment geen enkele gevaarlijke spinnensoort meer, zodat de reactie moet stammen uit vroegere tijden. Het intrigerende is dat de reactie van mannen en vrouwen verschillend is. In de puberteit neemt de weerzin bij de vrouw toe tot hij twee keer zo sterk is als die bij mannen. Dat duidt niet op zwakheid van de jonge vrouw, zoals sommigen wellicht denken, maar op een grotere behoefte om zichzelf te beschermen op het moment dat ze, in een primitieve samenleving, klaar is om zich voort te planten. Het is een teken van grotere voorzichtigheid bij de vrouw - een voorzichtigheid die terecht was in de oertijd, gezien haar belang ', oor het voortbestaan van de stam.
Wat betreft de liefde voor andere dieren, zoals paarden: die neemt bij meisjes die vlak voor de puberteit zitten enorm toe, maar bij jongens niet. Zorgvuldig onderzoek heeft uitgewezen dat net voor de tienerleeftijd de liefde voor paarden bij meisjes drie keer groter is dan die bij jongens. Dat wijst op een verschil in de psyche van jonge meisjes, met een grotere nadruk op een band met grotere, sterkere metgezellen. Maar het paard mag dan staan voor mannelijke kracht, we moeten niet uit het oog verliezen dat het meisje leiding heeft over het paard.

En hoe zit het met het verschil tussen visuele en verbale capaciteiten? Het is algemeen bekend dat mannen zich voor de oplossing van een lastig probleem terugtrekken om er stilletjes op te broeden, terwijl vrouwen bij elkaar komen en het uitpraten. Mannen zijn misschien goed in spreken in het openbaar, maar vrouwen zijn veel beter in discussiëren. In het algemeen lijken vrouwen beter te zijn in taal, terwijl mannen uitblinken in technische onderwerpen.

Dit kan worden aangetoond met een eenvoudige proef. Zowel mannen als vrouwen weten heel goed, hoe een fiets eruitziet, en er wordt door beide seksen op gereden. Maar als hun wordt gevraagd om een fiets te tekenen, doen mannen het veel beter dan vrouwen. De bewijzen voor superieure vrouwelijke verbale capaciteiten zijn overweldigend. Zo zijn er veel verbale problemen waar vooral mannen door getroffen worden. Stotteren,'het onvermogen om vloeiend te spreken', komt vier keer zoveel voor bij mannen als bij' vrouwen. Ook dyslexie, een ernstige leesstoornis, is een overwegend mannelijk fenomeen. Lichte dyslexie komt vijf keer vaker voor bij mannen, zware dyslexie zelfs tien keer vaker. Bij mannen pakt een verslechtering van hun taalvermogen ook ernstiger uit, en ze krijgen na een beroerte of andere vormen van hersenbeschadiging veel minder snel hun taalvermogen terug dan vrouwen.

De verbale superioriteit van vrouwen begint al op jonge leeftijd. Zelfs in de moederschoot is er een verschil aangetoond in mondbewegingen bij mannelijke en vrouwelijke foetussen. Een medisch onderzoeksteam in Belfast heeft ontdekt dat vrouwelijke foetussen van tussen de acht en twintig weken 'vaker en langduriger periodieke mondbewegingen voortbrengen dan mannelijke foetussen'. Interessant genoeg bewogen mannelijke foetussen de ledematen vaker. Met andere woorden, zelfs nog voor de geboorte geven meisjes er blijk van dat ze beter zullen zijn in praten, en jongens dat ze beter zullen zijn in sport.

Na de geboorte zet deze trend zich voort. Kleine meisjes tussen de 1 en 5 jaar lopen voorop in woordgebruik. Meisjes praten eerder dan jongens en maken langere zinnen. Ook hun woordconstructies zijn gevarieerder, ze maken minder fouten in mondeling taalgebruik en hebben een grotere woordenschat dan jongens van dezelfde leeftijd. Op school geven meisjes blijk van een beter woordgebruik, en zijn superieur in spelling, interpunctie en lezen. Onderzoek onder schoolkinderen heeft uitgewezen dat tweederde van de hoogste cijfers bij taaltesten worden gehaald door meisjes. De betrokken onderzoekers benadrukken dat de meisjes vooral uitblinken in de kwaliteit van het woordgebruik, meer dan in kwantiteit.

Recent onderzoek aan de johns Hopkins University in Baltimore heeft nieuwe aanwijzingen opgeleverd dat vrouwen superieur zijn in vloeiend taalgebruik. Zo heeft men ontdekt dat in het gebied van het hersenschors waar dit vermogen zetelt, de concentratie van cellen in de vrouwelijke hersens groter is. In het gebied dat verband houdt met verbaal initiatief en kortetermijngeheugen, is er bij vrouwen sprake van 23 procent meer concentratie; in het gebied dat verband houdt met het luistervermogen is de concentratie bijna 13 procent hoger. Dat bewijst dat er een anatomische basis bestaat voor de sekseverschillen bij verbale capaciteiten.

De bewijzen voor de mannelijke superioriteit in visuele vermogens zijn net zo overweldigend. Visueel-ruimtelijke capaciteiten zijn vooral belangrijk op het gebied van de techniek, de architectuur, de bouw en de luchtvaart. Het hoeft geen verbazing te wekken dat deze terreinen worden overheerst door mannen. Bij testen scoren mannen beter in doolhofproblemen, kaartlezen, perspectief, meetkunde, bouwkundige plattegronden, ruimtelijk inzicht en rotatie van blokken. Soms is er maar een klein verschil tussen de seksen, maar af en toe zijn er ook spectaculaire verschillen. Bij een eenvoudige wateroppervlaktest, waarbij aan scholieren werd gevraagd om de positie te raden van het wateroppervlak in een schuin neergezet glas, sloegen meisjes twee keer vaker de plank mis dan 'jongens. De test leek erg gemakkelijk: wist de scholier dat het wateroppervlak horizontaal bleef, ook als het glas schuiner werd neergezet' Desondanks was er een opvallend verschil tussen de seksen.

Als gevolg van deze geslachtsverschillen in verbale en visuele capaciteiten zouden bij sommige beroepen mannen moeten domineren, en bij andere vrouwen. Dat wordt bevestigd door een Zweeds onderzoek. Ruim tien jaar na de introductie van een strenge norm voor gelijkheid tussen de seksen bleef de beroepskeuze onder scholieren opvallend verschillend. De percentages zijn spectaculair: bij vakken als bouwkunde, houtbewerking, motortechniek en algemene techniek kwam 94 procent tot 98 procent van de aanmeldingen van jongens. Bij categorieën als maatschappelijk werk, dienstverlening en verpleging 92 procent tot 97 procent van de aanmeldingen van meisjes.

Zo'n groot verschil kun je niet uitsluitend verklaren met culturele druk, want op dat moment wás er geen culturele druk in Zweden. Integendeel,je zou juist een omgekeerde tendens hebben verwacht. Nu de gelijkheid tussen de seksen van officiële zijde was opgelegd, kon je verwachten dat de schoolkinderen zouden rebelleren en voor hun vrijheid zouden opkomen door met opzet een andere richting op te gaan. In plaats daarvan bleven ze in het traditionele hokje.

Kort samengevat: er zijn psychische taken waarvoor mannen van nature beter geschikt zijn. en andere die beter passen bij vrouwen. Wie dat negeert omwille van de modieuze mythe dat het seksistisch zou zijn, doet beide seksen groot onrecht.

De psychische verschillen tussen de seksen liggen de laatste jaren zo gevoelig vanwege de angst voor oversimplificatie, waarbij de ene sekse wordt bestempeld als intelligenter dan de andere. Daarvan is duidelijk geen sprake, maar er is één intrigerend verschil naar voren gekomen dat wel van doen heeft met algemene intelligentie en niet met gespecialiseerde intelligentie: de frequentie van genialiteit bij individuen.

Men zegt wel dat in het verleden mensen die werden gezien als genieën bijna altijd mannelijk waren, en dat dit niet alleen is veroorzaakt door de mannelijke dominantie. De redenatie is als volgt: om te slagen op het allerhoogste niveau, moetje geobsedeerd zijn tot op de rand van het waanzinnige, en moet je in staat zijn om alle afleiding van vrienden en familie, waar gewone mensen niet omheen kunnen, te negeren. Genieën leiden een chaotisch, problematisch leven, waarbij hun enorme talent leidt tot allerlei sociale en psychische problemen, met vaak dramatische gevolgen. De mannelijke leefwijze is gunstiger voor dit in wezen egoïstische gedrag dan de vrouwelijke. Bovendien trekt het genie zich niks aan van het gezonde verstand en het vermogen om zich bezig te houden met meerdere dingen tegelijk, wat sterk vrouwelijke kwaliteiten zijn. Het genie moet op irrationele wijze gericht zijn op één ding, en dat past beter bij de mannelijke aard.

Voortbordurend op dit thema wordt er wel gesuggereerd dat, als je de verschillende intelligentieniveaus van grote groepen volwassenen bekijkt, er een typisch mannelijk en een typisch vrouwelijk patroon bestaat. Net als bij de speciale capaciteiten kun je niet spreken van een 'superieure' en een 'inferieure' sekse. In plaats daarvan is de frequentie verschillend. De mannelijke 'intelligentiecurve' is breder en lager dan die van de vrouw. Dat betekent dat er niet alleen meer mannelijke genieën zijn, maar ook dat er, aan de andere kant van de schaal, meer mannelijke stomkoppen zijn. De vrouwelijke schaal is smaller en hoger. Met andere woorden, als je intelligentie verdeelt in drie niveaus - geniaal, intelligent en dom - dan zul je meer mannen aantreffen aan de extreme uiteinden (het geniale en het domme niveau) en meer vrouwen in het midden (het intelligente niveau).

Het is moeilijk om deze redenatie wetenschappelijk te onderbouwen, want er zijn veel subjectieve elementen bij betrokken. Een don uit Cambridge, Charles Goodhart, heeft de examenresultaten bestudeerd van grote groepen mannelijke en vrouwelijke studenten. Wat ontdekte hij?'Mannen zijn oververtegenwoordigd bij de hoogste cijfers - en bij de laagste. De vrouwen zitten samengepakt in het midden. Ze krijgen bijna allemaal een voldoende tot een ruime voldoende - er zijn minder uitblinkers en minder stomkoppen.'

Er werd hevig geprotesteerd tegen zijn bevindingen, maar hij wees erop dat het in genetische zin logisch is: vrouwen hebben twee X-chromosomen, terwijl mannen één X- en één Y-chromosoom hebben, waardoor er bij mannen meer variatie bestaat. Hij opperde dat dat verschil bij andere kwaliteiten ook bestond. Zo zouden er grotere onderlinge verschillen moeten bestaan in lichaamslengte bij mannen - wat inderdaad het geval is. 'Er bestaan heel lange mannen en heel kleine mannen; vrouwen zijn vaker van hetzelfde laken een pak.'

Het moet gezegd worden dat een grotere psychische variatie bij' mannen ook in evolutionaire zin logisch is. Vrouwen zijn veel te belangrijk voor de voortplanting om veel risico's mee te nemen. Daarom blijven zij veiligheidshalve gewoon 'intelligent', waardoor de veiligheid van hun kinderen ook wordt vergroot. Mannen zijn beter vervangbaar wat betreft de voortplanting, dus is het in genetische zin nuttig om met hen te 'experimenteren', zodat er een grote spreiding van psychische types blijft bestaan. Daardoor zal er regelmatig sprake zijn van excentrieke of buitengewone mannelijke hersens, die de creatieve druk instandhouden en zorgen voor een belangrijke vernieuwing waardoor de menselijke soort
weer een stap verder komt in haar ontwikkeling. Als er af en toe een 'experiment' mislukt en het genie gek wordt, is er wat betreft de algemene voortplanting weinig verloren.

De verdeling van psychische arbeid, als die op een biologisch niveau werkelijk bestaat, zou een efficiënte manier zijn om het nageslacht op een veilige manier groot te brengen, en tegelijkertijd op een onveilige manier een toekomst uit te denken.

Anders maar gelijk

Dit zijn enkele van de belangrijke biologische verschillen tussen mannen en vrouwen. Sommige zijn directe seksuele signalen waardoor mannen herkenbaar zijn als man, en vrouwen als vrouw. Andere kunnen worden verklaard door te verwijzen naar de verdeling van taken in de oertijd die zich binnen onze soort heeft ontwikkeld, waarbij de man jaagt en de vrouw verzamelt en kinderen baart; waarbij mannen zijn gebouwd op snelheid en kracht, en vrouwen op uithoudingsvermogen en moederschap. De combinatie van deze verschillende vormen van pressie heeft onze lichamen gevormd en de lichamen van de volwassen man en de volwassen vrouw geschapen zoals we ze nu kennen, in al hun subtiele pracht •